Noodweer – Strafrecht-advocaat.nl https://01-strafrecht-advocaat.nl De website voor het vinden van een ervaren strafrechtadvocaat Tue, 17 Mar 2026 07:15:22 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://01-strafrecht-advocaat.nl/wp-content/uploads/2025/07/cropped-https01-strafrecht-advocaat.nl-1-32x32.png Noodweer – Strafrecht-advocaat.nl https://01-strafrecht-advocaat.nl 32 32 Noodweerexces, steken met mes na aanval op zoon https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweerexces-steken-met-mes-na-aanval-op-zoon/ Tue, 17 Mar 2026 07:15:22 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=5310

In de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 12 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:694 ging het om een moeder die haar ex-vriend 5 keer heeft gestoken met een keukenmes toen hij haar zoon aanviel.Uiteindelijk is noodweerexces geaccepteerd en werd de moeder ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het gerechtshof overwoog het volgende:

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman primair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon, tegen welke aanranding verdediging noodzakelijk was.

Zowel de verdachte als haar zoon hebben namelijk verklaard dat aangever in de avond van 27 juni 2024 uit het niets de zoon van de verdachte aanviel, waarbij hij hem meermaals heeft geslagen en door de woonkamer heeft gegooid. Uit de verklaringen van de verdachte en haar zoon kan voorts worden opgemaakt dat de zoon van de verdachte niet in staat was om zich op eigen kracht te onttrekken aan de aanranding door aangever. Daarbij speelt een rol dat de zoon van de verdachte gehandicapt, licht verstandelijk beperkt en zeer slechtziend is. Verdediging tegen de aanranding door aangever was dus noodzakelijk, zodat aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan, aldus de raadsman. Datzelfde geldt voor het proportionaliteitsvereiste. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de ernst van de aanranding aanzienlijk was, dat, gelet op de verschillen in geslacht, leeftijd en lichaamsbouw tussen aangever (man, geboren in 1973) en de verdachte (vrouw, geboren in 1962) sprake was van een fysieke ongelijkheid tussen beiden en, tot slot, dat de verdachte, alvorens zij overging tot het steken van aangever met een mes, minder ingrijpende middelen heeft aangewend om de aanranding te doen afwenden. Zo heeft de verdachte eerst geroepen dat aangever haar zoon moest loslaten en hem met een plastic fles op zijn rug geslagen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, niet kan slagen. Weliswaar was volgens de advocaat-generaal sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte, waartegen verdediging geboden was, doch het door de verdachte toegepaste verdedigingsmiddel – meermalen steken met een mes in het bovenlichaam van aangever – stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, zodat aan het proportionaliteitsvereiste niet is voldaan.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr vereist is dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed (noodweersituatie), waartegen verdediging noodzakelijk is (subsidiariteitseis). Als de verdachte zich aan de aanranding had kunnen én moeten onttrekken, is niet voldaan aan deze eis. Voorts is vereist dat de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden/proportioneel is (proportionaliteitseis). Van belang in dat verband is of de gedraging van de verdachte – als verdedigingsmiddel – niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Bij de vraag of aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan, kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.

Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop een beroep op noodweer steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en haar zoon, leidt het hof, met het oog op het door de verdediging gevoerde noodweerverweer, de volgende feiten en omstandigheden af. Het hof acht deze feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.

In de avond van 27 juni 2024 bevonden de verdachte, op dat moment 62 jaar oud, haar toen vijftienjarige zoon, die geestelijk en lichamelijk beperkt, slechthorend en slechtziend is, en aangever, op dat moment 51 jaar oud, zich in de (kleine) woonkamer van de woning van de verdachte aan de [pleegplaats] . De verdachte zou de vloer van haar woonkamer (laten) vervangen en wilde op voornoemde avond de meubels en oude vloer uit de woonkamer verwijderen. Aangever en haar zoon zouden de verdachte hierbij helpen. Op enig moment, nadat de verdachte en haar zoon tegen aangever hadden gezegd dat hij weg moest gaan, viel aangever zeer onverwacht en zonder aanleiding de zoon van de verdachte aan en begon hem, onder meer tegen zijn hoofd, te stompen en te slaan. Daarop heeft de zoon van de verdachte zich proberen te verweren en (in zijn eigen woorden) een beetje teruggeslagen, maar aangever bleef hem slaan, pakte hem vast en liet hem niet los. Verbalisant [verbalisant 8] , die na het incident ter plaatse kwam, constateerde dat in het shirt dat de zoon van de verdachte droeg, meerdere gaten en scheuren zaten. De verdachte zag dat haar zoon werd aangevallen door aangever en niet uit eigen beweging weg kon komen. Daarop heeft de verdachte aangever aan zijn shirt en aan zijn haren getrokken, geroepen dat hij moest stoppen en van haar zoon moest afblijven en hem, aangever, met een deels gevulde plastic fles op zijn rug geslagen. Omdat aangever de zoon van de verdachte niet losliet en bleef stompen en slaan, heeft de verdachte een keukenmes gepakt en aangever daarmee gestoken, waarvan vier keer in de rechterbovenrug en één keer in de rechterborstkas. Op dat moment liet aangever de zoon van de verdachte los en verliet hij de woning. Vrijwel direct daarna hebben de verdachte en haar zoon 112 gebeld en is de politie ter plaatse gekomen.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van aangever in de avond van 27 juni 2024 – het plotseling en zonder aanleiding (onophoudelijk) slaan en stompen van de zoon van de verdachte, onder meer tegen zijn hoofd, hem vasthouden en niet loslaten – kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte. Het lukte de zoon van de verdachte niet om zich uit eigen beweging aan deze aanranding te onttrekken. Daarbij is van belang dat aangever ten tijde van de aanval 51 jaar oud was, terwijl de zoon van de verdachte slechts 15 jaar oud was. Hoewel de zoon van de verdachte volgens de verklaring van de verdachte bij de politie “een boom van een kerel” was en is, is hij ook geestelijk en lichamelijk beperkt, slechthorend en slechtziend. Omdat aangever, ondanks weerstand van de zoon van de verdachte en dringende verzoeken van de verdachte om de aanranding te staken, de aanranding onophoudelijk voortzette, is het hof van oordeel dat de verdachte, die haar zoon immers niet alleen kon laten bij aangever, genoodzaakt was het lijf van haar zoon te verdedigen tegen de aanranding. Met de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat de gedraging van de verdachte – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – als verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Dat de verdachte eerst heeft geprobeerd de aanranding met minder ingrijpende middelen af te weren – zij heeft aangever aan zijn shirt en haar getrokken en hem met een deels gevulde waterfles op zijn rug geslagen – doet aan voorgaand oordeel van het hof niet af.

Het hof merkt op dat de verdachte, al tijdens het politieverhoor op 28 juni 2024, verklaard heeft dat zij tijdens de aanval op haar zoon hoorde dat aangever tegen haar zoon zei dat hij hem zou vermoorden/doden, dat zij dacht en vreesde dat aangever dit ook echt zou doen en dat zij daarop het keukenmes heeft gepakt en aangever is gaan steken. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte dit herhaald. De zoon van de verdachte is bij zijn politieverhoor met voormelde verklaring van de verdachte geconfronteerd en heeft daarop desgevraagd verklaard dat hij niet gehoord heeft dat aangever dit gezegd heeft. Desalniettemin acht het hof de verklaring van de verdachte (ook) op dit punt betrouwbaar en aannemelijk. Daarbij overweegt het hof dat het, gelet op de omstandigheden dat de zoon van de verdachte slechthorend is en door aangever werd aangevallen en op zijn hoofd geslagen, goed mogelijk is dat die zoon niet alles wat tijdens de aanranding (een plotselinge gevechtssituatie) door aangever en/of de verdachte gezegd is, heeft meegekregen. Het hof ziet verder geen reden om aan de verklaring van de verdachte te twijfelen.

Het hof is van oordeel dat de opmerking van aangever dat hij de zoon van de verdachte zou vermoorden/doden weliswaar de aanranding door aangever ernstiger en de noodzaak tot verdediging groter en pregnanter maakt, doch dat de gedraging van de verdachte – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – als verdedigingsmiddel ook dan niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.

Aan het proportionaliteitsvereiste is aldus niet voldaan, zodat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen.

Met de rechtbank acht het hof het bewezenverklaarde feit, door de rechtbank terecht gekwalificeerd als poging tot doodslag, strafbaar.

Noodweerexces

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, zodat zij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij de verdachte als gevolg van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever waaraan haar zoon zich niet uit eigen beweging kon onttrekken en waartegen verdediging (derhalve) noodzakelijk was, een hevige gemoedsbeweging (angst en paniek) ontstond, die er vervolgens toe heeft geleid dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging mogelijk heeft overschreden. De raadsman heeft benadrukt dat de verdachte op 27 juni 2024 weliswaar al lange tijd met aangever in conflict was, maar dat dit conflict niet de aanleiding was voor het handelen van de verdachte. Die aanleiding was namelijk de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit het feit dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die na het incident ter plaatse zijn gegaan, in het door hen opgestelde proces-verbaal hebben opgeschreven dat de verdachte op dat moment rustig was en meewerkte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet (daarvoor) in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Het is immers goed mogelijk dat de verdachte op dat moment in shock was. Daar komt bij dat de moeder van de verdachte, met wie de verdachte direct na het incident telefonisch contact had opgenomen, verklaard heeft dat haar dochter verward op haar overkwam. Tot slot heeft de raadsman het hof erop gewezen dat, mocht het hof aannemen dat de verdachte, zoals door de zoon van de verdachte is verklaard, tegen aangever heeft gezegd dat ze een mes ging pakken, uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met het vereiste van “een hevige gemoedsbeweging”, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, niet kan slagen. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat bij de verdachte weliswaar sprake was van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever, doch dat het disproportionele handelen van de verdachte jegens aangever – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – niet het onmiddellijke gevolg was van deze hevige gemoedsbeweging, maar van een reeds eerder bij de verdachte bestaande emotie jegens aangever.

Het hof stelt voorop dat noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr in beeld kan komen als aan alle vereisten voor noodweer is voldaan, behalve aan het proportionaliteitsvereiste omdat sprake is van een al dan niet verontschuldigbare “overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging”. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan sprake zijn indien:

  1. de verdachte binnen een noodweersituatie verder gaat dan geboden was (intensief exces), dan wel indien
  2. de verdachte te lang doorgaat met de op zichzelf noodzakelijke verdediging ná afloop van de aanranding (extensief exces).

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging van de verdachte het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een “hevige gemoedsbeweging” die is veroorzaakt door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding – het vereiste van dubbele causaliteit – volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid, jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

Het hof heeft hiervoor onder Noodweer reeds overwogen dat de verdediging van de verdachte tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever weliswaar noodzakelijk, maar niet proportioneel was. Naar het oordeel van het hof was aldus sprake van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging. De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden, is of deze overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar en daarom niet strafbaar is.

Voor wat betreft de feiten en omstandigheden die het hof in casu aannemelijk acht en derhalve aanneemt, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder Noodweer is overwogen. In aanvulling daarop leidt het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en haar zoon, met het oog op het door de verdediging gedane beroep op noodweerexces, de volgende feiten en omstandigheden af. Het hof acht ook deze feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.

In de avond van 27 juni 2024 te [pleegplaats] was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte door aangever, tegen welke aanranding verdediging noodzakelijk was. De zoon van de verdachte was niet in staat om zich uit eigen beweging aan de aanranding te onttrekken en aangever bleef, ondanks weerstand van de zoon en dringende verzoeken en pogingen van de verdachte om de aanranding te staken, de zoon vasthouden, slaan en stompen. De verdachte zag de angst in de ogen van haar zoon en raakte in paniek. Op het moment dat zij aangever hoorde zeggen dat hij haar zoon zou vermoorden/doden, sloegen bij haar, zo verklaarde zij bij de politie, de stoppen door. De verdachte was bang dat aangever daartoe daadwerkelijk zou overgaan. Tijdens het tweede verhoor bij de politie heeft de verdachte dienaangaande verklaard dat zij wist dat aangever gevaarlijk was en dat zij om die reden een dergelijke opmerking van aangever (“ik maak je wel dood”) serieus neemt. Vervolgens pakte de verdachte van het aanrecht in de (deels open) keuken, op korte afstand van waar aangever en de zoon van de verdachte zich bevonden, een (kartel)mes. Daarmee heeft zij aangever vijf keer in zijn bovenlichaam gestoken. Hierna liet aangever de zoon van de verdachte los en verliet hij de woning.

Uit het dossier volgt dat de verdachte in de maanden voorafgaand aan 27 juni 2024 bij de politie verschillende meldingen had gedaan van bedreiging, mishandeling en afpersing door aangever. Naar aanleiding van één van deze meldingen – in het dossier wordt gesproken van een casus van huiselijk geweld – is aan aangever zelfs een huis-/contactverbod met betrekking tot (de woning van) de verdachte opgelegd. Ook heeft de verdachte verklaard dat aangever drugsverslaafd en als gevolg daarvan soms erg onvoorspelbaar was en dat hij wel eens stemmen in zijn hoofd hoorde en psychotisch was.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 9 juli 2024 volgt voorts dat de wijkagent van de wijk waarin de verdachte woonachtig was tegen de reclassering heeft verteld dat aangever de verdachte volledig controleerde, dat de verdachte geen vrije keuze had om nee te zeggen tegen aangever en dat de verdachte door (de familie van) aangever, die in het huis achter dat van de verdachte woonde, constant in de gaten werd gehouden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij de verdachte naar aanleiding van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever een hevige gemoedsbeweging is ontstaan. Deze hevige gemoedsbeweging was het onmiddellijke gevolg van de aanranding door aangever en niet van een al eerder bij de verdachte jegens aangever bestaande emotie, zoals kwaadheid. Weliswaar was op de datum van het incident sprake van een reeds langdurig conflict tussen de verdachte en aangever, maar dit conflict vormde naar het oordeel van het hof niet de aanleiding voor het handelen van de verdachte. In dat verband merkt het hof op dat de verdachte, na het verbreken van de relatie met aangever, zelf de hulp had ingeroepen van aangever bij de verbouwing van haar keuken en de herinrichting van de woonkamer. Het hof acht wel aannemelijk dat de gebeurtenissen tussen de verdachte en aangever die voorafgingen aan het incident, invloed kunnen hebben gehad op het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. De verdachte had – blijkens de hiervoor genoemde meldingen – in het verleden namelijk meer dan eens ervaren dat aangever agressief en onvoorspelbaar kon zijn, zodat de vrees dat hij, mede gelet op de door hem geuite bedreiging jegens de zoon van de verdachte, te ver zou gaan in de uitoefening van het geweld tegen die zoon niet ongefundeerd was.

In het requisitoir van de advocaat-generaal wordt groot gewicht toegekend aan de verklaring van de zoon van de verdachte dat hij zijn moeder heeft horen roepen dat zij een mes ging pakken in de keuken. De verdachte heeft echter steeds ontkend dit te hebben geroepen. Ook aangever heeft niet verklaard dat hij de verdachte iets dergelijks heeft horen roepen. Daarbij tekent het hof aan dat de zoon van de verdachte slechthorend is. Dit alles maakt dat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte een dergelijke uitlating zou hebben gedaan, zodat het hof hieraan voorbijgaat, wat er verder ook van zij. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, zoals de raadsman van de verdachte terecht heeft aangevoerd, uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met het vereiste van “een hevige gemoedsbeweging”, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat de raadsman eveneens terecht heeft aangevoerd dat uit het feit dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die na het incident ter plaatse zijn gegaan, in het door hen opgestelde proces-verbaal hebben opgeschreven dat de verdachte op dat moment rustig was en meewerkte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet (daarvoor) in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Dat de verdachte na het incident rustig was, kan immers allerlei oorzaken hebben en daarbij is het goed mogelijk dat de verdachte in shock was.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat aan de vereisten van noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, is voldaan. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar is voor het bewezenverklaarde en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

]]>
Schieten na uit de hand gelopen drugsdeal levert geen noodweer op https://01-strafrecht-advocaat.nl/schieten-na-uit-de-hand-gelopen-drugsdeal-levert-geen-noodweer-op/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/schieten-na-uit-de-hand-gelopen-drugsdeal-levert-geen-noodweer-op/#respond Mon, 01 Apr 2024 23:13:20 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=5254 Poging tot doodslag door met vuurwapen meermalen in richting van twee anderen te schieten tijdens vuurgevecht naar aanleiding van een uit de hand gelopen drugsdeal. Verdachte doet een beroep op noodweer.(HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:633):

Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat de gewelddadige gedragingen van beide kanten bij deze ten behoeve van een drugstransactie afgesproken samenkomst, waarbij beide partijen zich bewapend hadden, niet kunnen worden opgevat als “verdediging”. Daarin ligt mede besloten dat het hof de gebeurtenissen heeft opgevat als een samenhangend geheel van elkaar in een escalatie snel opvolgende gedragingen waarbij niet aannemelijk is geworden dat die snel opvolgende gedragingen uitsluitend of in overwegende mate het gevolg waren van het afgaan van het pistool van [betrokkene 1] . Het hierop voortbouwende oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als aanvallend in de onder 3.3 bedoelde zin, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/schieten-na-uit-de-hand-gelopen-drugsdeal-levert-geen-noodweer-op/feed/ 0
Noodweer verweer realistisch beoordelen https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweer-verweer-realistisch-beoordelen/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweer-verweer-realistisch-beoordelen/#respond Mon, 06 Sep 2021 04:44:22 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=5197

Bij noodweer schiet je als het ware in een soort overlevingsmodus. De primitieve overlevingsinstincten treden in werking. Je gaat als het ware handelen als een soort Neanderthaler. Vaak gebeurt het onverwachts, ongevraagd, en doorgaans ben je ongeoefend en dan moet je je wel verdedigen. Het is dan niet de bedoeling om de noodweersituatie te juridisch te beoordelen. We moeten wel met een realistische blik de hele situatie bekijken. De A-G schrift bij ECLI:NL:HR:2020:1685 het volgende hierover:.

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest inzake noodweer(exces) van 2016 onder meer overwogen dat in het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht. De in het verband van de proportionaliteiteis geldende maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. De Hullu schrijft over het ‘geboden zijn’ van de verdediging het volgende (hier met weglating van de voetnoten):

“Moderner uitgedrukt gaat het om de toets of de verdediging proportioneel was, vooral de keuze van de verdedigingswijze (bijvoorbeeld slaan, steken of schieten) en de intensiteit ervan (zo veel en zo hard slaan, schieten op vitale of minder vitale lichaamsdelen). Die proportionaliteitstoets wordt vooral door de omstandigheden van het geval bepaald. In recente rechtspraak wordt echter duidelijk aangegeven dat ‘de proportionaliteitstoets ertoe strekt om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding’ alsmede dat die maatstaf tot een terughoudende toetsing van de verdediging noopt. De precieze manier van verdedigen behoeft dus zeker niet de beste te zijn.

De wetgever heeft mijns inziens inderdaad beoogd om ‘wanverhoudingen’ tussen doel en middel, disproportionaliteit buiten de noodweerbevoegdheid te houden. Het proportionaliteitsvereiste zou dan in ieder geval excessen eruit moeten zeven (zoals het doodsteken van iemand die bij een beroving minder dan één gram cocaïne en tien gulden heeft buitgemaakt) en voor een (niet te zwaar aangezette) redelijkheidstoetsing moeten zorgen. Het is niet de bedoeling geweest om de gekozen verdediging op een weegschaal te leggen en de vraag te stellen of de verdediging optimaal is geweest. Een wat ruimhartiger toetsing van de proportionaliteit past ook bij het rechtsordehandhavingsaspect van noodweer. Het doet bovendien recht aan de psychologische werkelijkheid van de burger ten tijde van de aanranding; ongevraagd, onverwacht en doorgaans ongeoefend heeft deze zich immers moeten verdedigen en dat kan tot een wat mildere beoordeling van de proportionaliteit leiden. Een zekere ruimhartigheid lijkt ook te passen bij de tijdgeest in onze ‘veiligheidsmaatschappij’. Van belang kan hier overigens ook worden het bestaan van noodweerexces, dat begrijpelijke overschrijdingen van vooral de proportionaliteit kan verontschuldigen.

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweer-verweer-realistisch-beoordelen/feed/ 0
Met keukenmes verdedigen tegenover de vuisten van een ander niet altijd disproportioneel https://01-strafrecht-advocaat.nl/met-keukenmes-verdedigen-tegenover-de-vuisten-van-een-ander-niet-altijd-disproportioneel/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/met-keukenmes-verdedigen-tegenover-de-vuisten-van-een-ander-niet-altijd-disproportioneel/#respond Mon, 06 Sep 2021 04:28:30 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=5195 Het verdedigen met een mes tegenover een een aanval met de vuisten is doorgaans disproportioneel, maar niet altijd. In de zaak Hr, 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512. Het ging in casu over een neef die bij zijn tante verbleef. Er ontstond een discussie over het lange douchen. De vriend van de tante, die tamelijk forser was dan de verdachte viel hem aan, sloeg hem met vuisten en sloeg ook de Playstation kapot. De verdachte verdedigde zich uiteindelijk door de vriend van tante te steken.

De Hoge Raad oordeelde als volgt:

Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten.
Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Als de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

2.4Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte eerst door de aangever is geslagen en dat de verdachte vervolgens de aangever met een keukenmes in diens arm heeft gestoken.
Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar op het moment van het slaan door de aangever sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis. Daartoe heeft het hof overwogen dat het steken met een keukenmes door de verdachte “in geen enkele verhouding” tot “de ernst van de aanranding” stond. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en wat ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd over de ernst van de door de aangever begane aanranding en de situatie waarin de verdachte op dat moment verkeerde, waarvan het hof de juistheid deels in het midden heeft gelaten.”

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/met-keukenmes-verdedigen-tegenover-de-vuisten-van-een-ander-niet-altijd-disproportioneel/feed/ 0
Onttrekken hoeft niet wanneer daartoe geen mogelijk bestond https://01-strafrecht-advocaat.nl/onttrekken-hoeft-niet-wanneer-daartoe-geen-mogelijk-bestond/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/onttrekken-hoeft-niet-wanneer-daartoe-geen-mogelijk-bestond/#respond Tue, 12 May 2020 08:33:39 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=5120 In HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1894 had het hof een verdachte veroordeeld voor zware mishandeling omdat door de verdediging geen omstandigheden zouden zijn gesteld waaruit volgt dat een volgende aanval te vrezen viel. Hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat, op het moment dat verdachte aangever sloeg, geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en ook geen reële dreiging daarvan. De Hoge Raad vond dit niet begrijpelijk.
Daarnaast was door de verdediging aangevoerd dat de verdachte met zijn rug tegen een container of kar stond en zich daardoor niet aan de aanval kon onttrekken. Ook dat verweer had het hof verworpen, maar de Hoge Raad vond dat in redelijkheid de onttrekking in die omstandigheden niet kon worden gevergd. De Hoge Raad overwoog het volgende:

3.1Het middel klaagt onder meer over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 29 december 2016 in de gemeente Horst aan de Maas, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] heeft geslagen en heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

3.2.2

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“(…) van de zijde van de verdachte, die in zoverre een bekennende verklaring heeft afgelegd, [is] niet betwist dat aangever [aangever] door hem is geslagen en geduwd. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar geweld heeft gebruikt, doch dat dit louter een reactie was op een aanval van, te weten duwen door, aangever [aangever]. Het plaatsvinden van die aanval, welke volgens de verdediging dient te worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, wordt overigens door aangever [aangever] ontkend.

(…)

Hoewel de door de verdachte aan aangever [aangever] gestuurde WhatsApp-berichten in een andere richting wijzen, zal het hof bij de bespreking van het verweer uit gaan van de lezing van de verdachte (te weten dat [aangever] hem, verdachte, tweemaal heeft geduwd, voordat hij [aangever] een klap gaf).

Ook als daarvan wordt uitgegaan is niet komen vast te staan, noch aannemelijk geworden dat verdachtes verdediging tegen deze wederrechtelijke aanranding daadwerkelijk noodzakelijk was. Aldus is aan de in die term vervatte subsidiariteitseis niet voldaan, en kan bijgevolg niet worden gesproken van een noodweersituatie. Immers zijn door de verdediging geen feiten gesteld om te onderbouwen dat de verdachte moest handelen zoals hij gedaan heeft, of dat hij zich moest verdedigen en zich niet kon – of wel kon, maar zich niet behoefde te – onttrekken aan de situatie waarin hij zich bevond.

De verdachte hoeft weliswaar niet steeds de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer aannemelijk te maken, maar hij zal wel voldoende relevante feiten moeten stellen.

De verdachte heeft zelf ten overstaan van de politie verklaard dat aangever hem twee keer heeft geduwd, waardoor hij met zijn rug tegen een container klapte, hetgeen pijn deed aan zijn rug. De verdachte verklaart verder dat hij zich op dat moment benauwd en bedreigd voelde en dat hij aangever toen in directe reactie de hele harde klap heeft gegeven.

Het hof overweegt dat een reactie op zich in beginsel niet is aan te merken als noodweer. Voorts overweegt het hof dat uit voormelde verklaring op geen enkele wijze blijkt dat de verdachte een nieuwe aanval moest vrezen en evenmin dat de verdachte geen andere mogelijkheden had dan slaan. Ook is er niets feitelijks gesteld over de ruimte waarin de verdachte en aangever [aangever] zich bevonden, noch over bijvoorbeeld een onmogelijkheid om weg te lopen. Uit de verklaringen van de verdachte en aangever die zich in het dossier bevinden kan het hof immers slechts afleiden dat het gaat om een hal, waarin zich een aantal verplaatsbare karren, respectievelijk bakken of roestvrijstalen mestcontainers van 1,20 meter hoog bevonden. Een probleem om weg te lopen blijkt ook niet uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg.

Voor zover door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg is betoogd dat de verdachte met zijn rug tegen een stalen container stond (in hoger beroep: dat hij met de rug tegen een kar aan stond) en zich niet kon onttrekken aan de situatie, ziet het hof daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook hier wordt het “zich niet kunnen onttrekken” namelijk feitelijk onvoldoende onderbouwd.

Het enkele feit dat een 34-jarige persoon (van 1,82 meter lang) met de rug tegen een container, respectievelijk kar van 1,20 meter hoog staat, tegenover een 52-jarige persoon (van 1,88 meter lang), levert op zichzelf geen noodweersituatie op en ook hier wordt niet gesteld dat een volgende “aanval” aanstaande was. Voorts worden geen en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat daarvoor te vrezen viel.

Het verweer wordt verworpen.”

3.3Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een ‘ogenblikkelijke aanranding’ is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende.
Aan de voor noodweer geldende subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

3.4.1Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat [aangever] de verdachte tweemaal heeft geduwd, waardoor de verdachte met zijn rug tegen een container klapte, waarna de verdachte [aangever] heeft geslagen.

3.4.2Het Hof heeft het beroep op noodweer onder meer verworpen op de grond dat “het enkele feit dat een 34-jarige persoon (van 1,82 meter lang) met de rug tegen een container, respectievelijk kar van 1,20 meter hoog staat, tegenover een 52-jarige persoon (van 1,88 meter lang), op zichzelf geen noodweersituatie [oplevert] en dat door de verdediging geen omstandigheden zijn gesteld waaruit volgt dat een volgende aanval te vrezen viel”. Het Hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat, op het moment dat de verdachte de aangever sloeg, geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en ook geen reële dreiging daarvan. Dat oordeel is, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk.

3.4.3Voor zover het Hof daarnaast aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd dat voor de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond omdat de verdachte zich kon onttrekken aan de situatie waarin hij zich bevond, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte op het moment van het slaan met zijn rug tegen een container of kar stond. Het kennelijke oordeel van het Hof dat niettemin een reële en redelijke mogelijkheid voor verdachte bestond zich aan de situatie te onttrekken, is niet begrijpelijk.

3.5Het middel slaagt in zoverre. Het middel behoeft voor het overige geen bespreking.

 

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/onttrekken-hoeft-niet-wanneer-daartoe-geen-mogelijk-bestond/feed/ 0
Subsidiariteitsvereiste: niet alleen kunnen maar ook moeten onttrekken https://01-strafrecht-advocaat.nl/subsidiariteitsvereiste-niet-alleen-kunnen-maar-ook-moeten-onttrekken/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/subsidiariteitsvereiste-niet-alleen-kunnen-maar-ook-moeten-onttrekken/#respond Tue, 24 Sep 2019 09:41:51 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=5103 In HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1035 ging het om een zaak waarbij de verdachte had geschoten op het slachtoffer die met een pistool op hem afliep. Het hof oordeelde dat hij 5 seconden had om te vluchten en dat niet heeft gedaan. Om die reden werd noodweer verworpen. De Hoge Raad casseerde echter omdat het niet alleen de vraag is of een verdachte iets anders had kunnen doen, maar met name ook of hij in de omstandigheden van het geval had moeten vluchten. Soms kan dat in redelijkheid niet van een verdachte worden gevergd.

Feiten:

Het hof stelt vast dat de verdachte zowel in het opsporingsonderzoek (verklaringen van 8 mei en 8 juli 2016) als tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de auto naast de zijne stopte en dat hij meteen zag dat de inzittende ( [slachtoffer] ) een wapen in zijn hand had en dat hij zag dat het een Skorpion CZ was. Tevens heeft hij verklaard dat [slachtoffer] uit zijn auto stapte, achter de auto om liep en met het wapen op verdachte gericht op hem afkwam.
Op grond hiervan verwerpt het hof de aan het verweer ten grondslag gelegde lezing dat de bestuurder nadat hij was uitgestapt de Skorpion pakte en op de verdachte richtte.
Het hof acht derhalve, gelet op het onderzoek ter terechtzitting, de door de verdediging gegeven lezing zoals hiervoor weergegeven aannemelijk, met uitzondering van het moment waarop de verdachte zag dat [slachtoffer] een Skorpion in handen had.
Het hof acht te dien aanzien aannemelijk dat verdachte reeds voordat [slachtoffer] uit zijn auto was gestapt zag dat deze een Skorpion in handen had. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij enkele seconden nadat hij het wapen in [slachtoffer] ’s hand had gezien, schoten op hem heeft afgevuurd. Daaruit vloeit voort dat de verdachte niet eerst toen [slachtoffer] , nadat hij was uitgestapt en achterlangs zijn auto om was gelopen, de Skorpion op hem richtte zijn vriendin de auto uit heeft gejaagd en zijn vuurwapen heeft gepakt, maar daartoe reeds overging voordat [slachtoffer] uit zijn auto stapte. Dat vindt bovendien steun in de verklaringen van de vriendin van verdachte, die heeft verklaard dat zij eerst uit de auto werd gestuurd en vervolgens [slachtoffer] zag uitstappen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder nog dat het opsporingsonderzoek verscheidene aanwijzingen heeft opgeleverd dat de inbeslaggenomen Skorpion van [slachtoffer] afkomstig was.
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de gedragingen van [slachtoffer] , te weten het pakken en vervolgens – nadat hij was uitgestapt en in de richting van de auto van de verdachte was gelopen – op relatief korte afstand richten van een vuurwapen op de verdachte, gekwalificeerd kan worden als een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.

Eis van subsidiariteit

Bij de beoordeling van het verweer is vervolgens aan de orde of de gedragingen van de verdachte, inhoudende het afvuren van meerdere kogels op/in het lichaam van [slachtoffer] door noodzakelijke verdediging geboden waren. Meer in het bijzonder dient de vraag beantwoord te worden of de verdachte zich al dan niet kon en diende te onttrekken aan die aanranding.

De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat vluchten geen reëel alternatief was, omdat het onmogelijk was om vanuit stilstand weg te rijden gelet op het paaltje vóór, en de auto van [slachtoffer] links van de auto van de verdachte, en de mogelijke aanwezigheid van de vriendin van de verdachte achter zijn auto.

Het hof gaat bij de bespreking hiervan uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Zoals hiervoor vastgesteld was het zien van de Skorpion in handen van de achter het stuur van zijn auto zittende [slachtoffer] voor de verdachte reeds aanleiding om zijn vriendin de auto uit te sturen en zijn vuurwapen te pakken. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte zich nog voordat [slachtoffer] was uitgestapt het dreigende gevaar van het vuurwapengeweld realiseerde. Dat betekent dat de verdachte vanaf dat moment gelegenheid heeft gehad zich aan die dreiging te onttrekken.

Met betrekking tot de vraag of de tijdspanne tussen dat moment en het moment waarop [slachtoffer] het vuurwapen op verdachte richtte ook voldoende gelegenheid bood om zich aan de (dreigende) aanranding te onttrekken overweegt het hof dat die tijdspanne in elk geval voor de vriendin voldoende is geweest om de auto te verlaten, waarbij zij door de verdachte, zoals hij heeft verklaard, schreeuwende de auto werd uitgeduwd en geschopt. Het hof acht daardoor niet aannemelijk dat verdachte tegelijk gelegenheid had zijn vuurwapen te pakken. Gelet op een en ander en op de omstandigheid dat ook het uitstappen en achter de auto om lopen van [slachtoffer] enige tijd zal hebben gevergd, acht het hof aannemelijk dat tenminste enige seconden zijn verlopen tussen het moment waarop de verdachte zich de dreiging realiseerde en het moment waarop [slachtoffer] het wapen op hem richtte.

Verdachte had volgens zijn verklaring zijn auto stilgezet met de neus op een afstand van
30 centimeter van een paaltje op het trottoir en met de rechterkoplamp op ongeveer
30 centimeter van een uit de gevelrij stekende muur. Uit de in het politieproces-verbaal opgenomen foto’s van de plaats delict (p. 426 en volgende) volgt dat de auto van [slachtoffer] was stilgezet ter linkerzijde van het aan de rode asfaltering herkenbare fietspad tussen de rijbaan en het trottoir. Uit de foto op p. 426 leidt het hof af dat de ruimte tussen het paaltje op het trottoir en de auto van [slachtoffer] een ruimschoots voldoende doorgang voor de auto van verdachte bood. Het hof acht verder aannemelijk dat verdachte, gezien de positie van de auto ten opzichte van paaltje en uit de gevelrij stekende muur om door deze doorgang weg te rijden eenmaal achter zou moeten steken om vrije doorgang te hebben.

Het hof is van oordeel dat de beschikbare tijdspanne van enige seconden, welke het hof gelet op hetgeen in die tijdspanne voorviel schat op tenminste vijf seconden, toereikend is geweest om
– met eenmaal achteruit steken – via de doorgang over het overigens vrij gelegen fietspad vooruit weg te rijden en aldus te pogen zich aan het dreigende vuurwapengeweld te onttrekken. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vriendin van verdachte niet uit de auto zou zijn gestapt, zodat de verdachte bij het achteruit rijden er ook niet op bedacht zou hoeven zijn dat zij zich mogelijk daar bevond.

Vervolgens is aan de orde of de voor hem bestaande gelegenheid om zich aan de (dreiging van de) aanranding te onttrekken door de verdachte ook diende te worden benut.

Het hof stelt vast dat de verdachte ter verdediging een confrontatie met zijn belager is aangegaan, waarvan het verlies van een mensenleven een vrijwel onontkoombaar gevolg was. Waar – zoals uit het vorenoverwogene volgt – voor hem de gelegenheid bestond om het eigen leven te redden door de confrontatie uit de weg te gaan, is het hof van oordeel dat de verdachte zich reeds om die reden aan de (dreigende) aanranding had dienen te onttrekken.

Kort samengevat is het hof van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid bestond te vluchten en het gebruik maken van die mogelijkheid ook van de verdachte kon worden gevergd.

Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweer.”

2.3Aan de voor noodweer geldende subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

2.4Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte tussen het moment waarop hij het vuurwapen in handen van de achter het stuur van zijn auto zittende [slachtoffer] zag en het moment waarop [slachtoffer] het vuurwapen op hem richtte, naar schatting ten minste vijf seconden had om met zijn auto achteruit te steken en vervolgens vooruit weg te rijden, en aldus te proberen zich aan het dreigende vuurwapengeweld te onttrekken. Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid had om zich te onttrekken aan de (dreigende) aanranding. Dit oordeel is, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, alsmede op hetgeen de raadsman in zijn pleidooi heeft aangevoerd, echter niet zonder meer begrijpelijk.

2.5Het middel is terecht voorgesteld.

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/subsidiariteitsvereiste-niet-alleen-kunnen-maar-ook-moeten-onttrekken/feed/ 0
Geslaagd beroep noodweerexces bij voorlopige hechtenis; afwijzing vordering gevangenhouding https://01-strafrecht-advocaat.nl/geslaagd-beroep-noodweerexces-bij-voorlopige-hechtenis-afwijzing-vordering-gevangenhouding/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/geslaagd-beroep-noodweerexces-bij-voorlopige-hechtenis-afwijzing-vordering-gevangenhouding/#respond Fri, 17 Aug 2018 14:43:41 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=4958 Ook in de fase van de voorlopige hechtenis kan door de verdediging met succes een beroep worden gedaan op noodweer(exces). Dat blijkt uit een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2013:6293. In dat kader zijn verschillende verweren mogelijk;

  • Vanwege het beroep op noodweerexces is de maatschappij niet ernstig geschokt wanneer de verdachte in vrijheid zou worden geste;d
  • Er moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat later een gevangenisstraf van kortere duur wordt opgelegd dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht (anticipatiegebot)

Vanwege deze redenen werd in de genoemde uitspraak de vordering tot gevangenhouding afgewezen.

Gerechtshof: verweer noodweerexces heeft goede kans van slagen

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat ernstige bezwaren tegen verdachte bestaan ter zake van het feit waarop de voorlopige hechtenis berust. Eveneens is het hof van oordeel dat de onderzoeksgrond thans nog aanwezig is. Ten aanzien van de 12-jaarsgrond is dat anders; gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan – het hof wijst hiertoe op het navolgende – acht het hof die grond niet aanwezig.

Het bestaan van de onderzoeksgrond neemt niet weg dat, naar het oordeel van het hof, sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat het beroep van de verdachte op noodweer, dan wel noodweerexces, kans van slagen heeft. Dit geldt ook – het nog te verrichten onderzoek heeft daarop betrekking – ingeval er vanuit moet worden gegaan dat verdachte zelf het mes, waarmee het slachtoffer is gestoken, uit de woning heeft gepakt en daarmee naar buiten is gegaan.

Het hof wijst er op dat ’s hofs oordeel is gebaseerd op het procesdossier zoals dat thans beschikbaar is. De zittingsrechter zal op basis van het uiteindelijke dossier en het onderzoek ter terechtzitting een definitief inhoudelijk oordeel vellen.

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beschikking van de rechtbank vernietigen, de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de gevangenhouding van verdachte afwijzen en de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

Geen ernstig geschokte rechtsorde

Ook in een zaak die speelde bij de rechtbank Zeeland West-Brabant (niet gepubliceerd) werd de vordering tot gevangenhouding afgewezen omdat niet voldaan werd aan het criterium van de geschokte rechtsorde, De rechtbank overwoog het volgende:

“Wanneer het publiek bekend is met alle feiten en omstandigheden waaronder dit vermoedelijk begane feit werd gepleegd, moet worden aangenomen, moet er worden aangenomen dat er geen reacties van het publiek komen bij vrijlating. Deze omstandigheden leiden ertoe dat de vordering gevangenhouding moet worden afgewezen en het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.”

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/geslaagd-beroep-noodweerexces-bij-voorlopige-hechtenis-afwijzing-vordering-gevangenhouding/feed/ 0
Noodweer bij mishandeling door verdachte inbraak https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweer-bij-mishandeling-door-verdachte-inbraak/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweer-bij-mishandeling-door-verdachte-inbraak/#respond Fri, 30 Mar 2018 19:40:09 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=4918 Een verdachte van een inbraak werd door de aangevers aangevallen en heeft zich tegen deze aanval verweerd. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat deze verdediging gerechtvaardigd was (Gerechtshof Amsterdam, 20 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:928):

Naar het oordeel van het hof is de feitelijke toedracht zoals door de verdachte voor het beroep op noodweer is aangevoerd, aannemelijk geworden. Het hof heeft hierbij met name gelet op de omstandigheid dat de aangevers – die ten aanzien van de tenlastegelegde mishandeling niet als onafhankelijke getuigen kunnen worden aangemerkt – op een enkele duw na ontkennen dat zij geweld hebben gebruikt tegen de verdachte, terwijl door verbalisanten wel degelijk letsel bij de verdachte is geconstateerd en zij een worsteling tussen de verdachte en de aangevers hebben waargenomen. Daarbij komt dat de aangevers de verdachte aanspraken omdat zij ervan overtuigd waren dat de verdachte kort tevoren in de auto van één van hen had ingebroken. Nu het hof op basis van de inhoud van het dossier aannemelijk acht dat de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen tegen een (ogenblikkelijke en wederrechtelijke) aanval door de aangevers en aldus sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan [getuige2] en [getuige 3], zodat niet kan worden bewezen dat sprake was van mishandeling, zal de verdachte worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 (van parketnummer 13-698591-16) is ten laste gelegd.

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/noodweer-bij-mishandeling-door-verdachte-inbraak/feed/ 0
Conflict ontaardt snel in gevecht – vrijspraak mishandeling vanwege noodweer https://01-strafrecht-advocaat.nl/conflict-ontaardt-snel-in-gevecht-vrijspraak-mishandeling-vanwege-noodweer/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/conflict-ontaardt-snel-in-gevecht-vrijspraak-mishandeling-vanwege-noodweer/#respond Fri, 30 Mar 2018 19:28:23 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=4915 Een woordelijk conflict escaleerde plotseling in een fysieke confrontatie gericht tegen verdachte. Verdachte heeft hierop gereageerd door het slachtoffer dat op hem afgerend kwam een klap in het gezicht te geven waardoor die bewusteloos op de grond viel (Rb Noord-Holland, 23 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2417.

Rb: Op grond van het strafdossier en de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 29 oktober 2016 te Schagen aangever [slachtoffer] één harde vuistslag in het gezicht heeft gegeven, waardoor [slachtoffer] neerviel en met zijn hoofd op straat is terechtgekomen. Deze confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] , te weten een gebroken oogkas, een schedelbasisfractuur, een dubbele kaakbreuk en een blijvende zenuwbeschadiging in de onderkaak en lip.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte heeft gehandeld uit noodweer, stelt de rechtbank voorop dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, of van een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Voorts moet de gehanteerde wijze van verdediging noodzakelijk en geboden zijn. Laatstgenoemde eis heeft betrekking op de vragen of verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden (proportioneel) was (vgl. Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

Op basis van de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden:

Op zaterdag 29 oktober 2016 omstreeks 00.30 uur werd verdachte door een vriend, [vriend verdachte 1] , opgehaald van het station te Schagen. Verdachte is naar de voor het station gereedstaande auto van [vriend verdachte 1] gelopen en heeft zijn tas in de auto gelegd. [vriend verdachte 1] bleek in het gezelschap van [vriend verdachte 2] , die op dat moment naast de auto stond en was verwikkeld in een discussie met een jongen die verdachte niet kende en later [betrokkene 1] bleek te zijn. Ook (de verdachte onbekende) [slachtoffer] en [betrokkene 2] stonden in de buurt van de auto. [slachtoffer] en [betrokkene 1] waren onder invloed van alcohol en getuige zijn uitdagende gedrag was [betrokkene 1] duidelijk uit op een conflict. Toen verdachte vroeg wat er aan de hand was tussen [vriend verdachte 2] en [betrokkene 1] , escaleerde het tot dan toe woordelijke conflict plotseling in een fysieke confrontatie gericht tegen verdachte. Verdachte heeft verklaard dat aangever [slachtoffer] direct met een geheven gebalde vuist op hem afkwam en hem op deze dreigende manier naar achteren dwong. De rechtbank ziet noch bevestiging noch weerlegging van deze verklaring in de verklaringen van getuigen. Wel is aannemelijk geworden dat in ieder geval [betrokkene 1] vrijwel direct op verdachte afkwam en hem een trap tegen het been gaf. In reactie op deze fysieke aanranding heeft verdachte [betrokkene 1] een vuistslag in het gezicht gegeven, waardoor [betrokkene 1] op de grond viel. Direct daarop volgend kwam [slachtoffer] met geheven gebalde vuist op verdachte af (gerend) en dreigde hij verdachte te slaan. Op dat moment heeft verdachte [slachtoffer] de tenlastegelegde vuistslag in het gezicht gegeven, waarna [slachtoffer] op straat neerviel en bewusteloos bleef liggen. Vervolgens kwam [betrokkene 2] op verdachte af. Hij sloeg verdachte en vervolgens hebben zij elkaar over en weer geslagen. Dit alles heeft zich afgespeeld binnen een tijdspanne van hooguit een tiental seconden, terwijl [vriend verdachte 1] en [vriend verdachte 2] zich buiten de confrontatie hielden en verdachte niet te hulp zijn geschoten.

Op basis van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door [betrokkene 1] en van een direct daarop gevolgde, onmiddellijk dreigende aanranding van het lijf van verdachte door [slachtoffer] . De rechtbank oordeelt dat in de gegeven omstandigheden, met name de plotselinge en onvoorziene escalatie van de situatie door toedoen van (in ieder geval) [betrokkene 1] , en de snelheid waarmee [slachtoffer] en zijn vrienden achtereenvolgens op verdachte afkwamen, geen reële en redelijke mogelijkheid bestond voor verdachte om zich aan de situatie te onttrekken, laat staan dat dit van hem kon worden gevergd. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de gehanteerde wijze van verdediging, het slaan met de gebalde vuist in het gezicht van [slachtoffer] , niet in wanverhouding staat tot de dreigende aanval door [slachtoffer] , waarbij de rechtbank de omstandigheden heeft betrokken dat de gebeurtenissen elkaar zeer snel opvolgden, [slachtoffer] met geheven vuist op verdachte afkwam en op dat moment niemand verdachte te hulp schoot. Dat aangever [slachtoffer] als gevolg van de vuistslag met zijn hoofd op straat is terechtgekomen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is zeer onfortuinlijk, maar de ernst van dit gevolg maakt niet zonder meer dat de handelwijze van verdachte als disproportioneel moet worden aangemerkt.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat, zoals is vereist, sprake was van verdediging tegen een onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en dat de gehanteerde wijze van verdediging noodzakelijk en geboden was, zodat het beroep op noodweer slaagt. Nu met de term ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 Wetboek van Strafrecht mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht (vgl. Hoge Raad 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690) en door het slagende beroep op noodweer de wederrechtelijkheid aan de gedraging komt te ontvallen, zal verdachte worden vrijgesproken van de beschuldiging dat hij aangever [slachtoffer] heeft mishandeld (met zwaar lichamelijk letsel als gevolg).

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/conflict-ontaardt-snel-in-gevecht-vrijspraak-mishandeling-vanwege-noodweer/feed/ 0
Geen noodweerexces ivm berekenend om slachtoffer definitief uit te schakelen ipv hevige gemoedsbeweging https://01-strafrecht-advocaat.nl/geen-noodweerexces-ivm-berekenend-om-slachtoffer-definitief-schakelen-ipv-hevige-gemoedsbeweging/ https://01-strafrecht-advocaat.nl/geen-noodweerexces-ivm-berekenend-om-slachtoffer-definitief-schakelen-ipv-hevige-gemoedsbeweging/#respond Sat, 16 Sep 2017 07:40:32 +0000 https://01-strafrecht-advocaat.nl/?p=4756 Blijkens ’s Hofs overwegingen heeft het Hof onderzocht of t.t.v. de confrontatie onderaan de trap (de 2e fase) sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft daarbij niet miskend dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces niet in de weg behoeft te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geacht dat het handelen van verdachte in de 2e fase het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanige hevige angst of woede, veroorzaakt door de eerdere aanranding, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging a.b.i. art. 41.2 Sr. Het Hof heeft een zekere rationaliteit en doelgerichtheid – waarmee het Hof kennelijk het oog erop had dat verdachte met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) wilde uitschakelen – en dus niet een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geacht in het handelen van verdachte. Het Hof is mede o.g.v. door verdachte afgelegde verklaringen tot dat oordeel gekomen. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel van het Hof is, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. (HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794)

Hof:
“In dit kader heeft de verdachte aangevoerd dat hij ten tijde van het slaan en schoppen van [slachtoffer] toen deze onder aan de trap lag, ten prooi was aan angst en woede. De angst kwam volgens de verdachte voort uit de oorspronkelijke aanranding door [slachtoffer] (de hiervoor bedoelde eerste fase). De daarbij ontstane angst duurde nog voort op het moment dat [slachtoffer] van de trap was gevallen en onder aan de trap op de grond lag.

Naar het oordeel van het hof getuigen de gedragingen van de verdachte en zijn beweegredenen daarvoor, zoals weergegeven onder f), veeleer van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid bij de verdachte dan van hevige angst. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachtes handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige angst, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre verwerpt het hof dan ook het verweer.

Voor zover de verdachte heeft willen betogen dat woede hem tot zijn handelen onder aan de trap heeft gebracht, acht het hof het invoelbaar dat die emotie bij de verdachte is ontstaan als gevolg van [slachtoffer]s onverhoedse aanval op de slapende verdachte. Ook is niet onaannemelijk dat die woede werd gevoed door de wetenschap bij de verdachte dat [slachtoffer] zich eerder ook al gewelddadig had getoond in de richting van [betrokkene 3] en haar na het verbreken van de relatie was blijven lastig vallen. Het hof acht evenwel – gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen aangaande de zekere rationaliteit en doelgerichtheid van verdachtes handelen – niet aannemelijk geworden dat verdachtes handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige woede, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht”

]]>
https://01-strafrecht-advocaat.nl/geen-noodweerexces-ivm-berekenend-om-slachtoffer-definitief-schakelen-ipv-hevige-gemoedsbeweging/feed/ 0