Beoordelingskader bezwaarschrift artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

Bij de beoordeling van een bezwaarschrift ex artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, gericht tegen het bepalen en in de DNA-databank voor strafzaken verwerken van veroordeeldes DNA-profiel, dient de rechter te onderzoeken of zich de in art. 2, eerste lid onder b, van de Wet genoemde uitzondering voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.

Aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet geeft de Hoge Raad een beperkte uitleg. De officier van justitie beveelt de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’. De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd. Andere dan bovengenoemde maatstaven doen volgens de Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet dus geen plaats.
(zie o.a. LJN: BC8231 en BC8234, Hoge Raad, 13 mei 2008)

In dit arrest heeft de Hoge Raad expliciet vermeldt dat er in de wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen. In het door de wetgever beoogde systeem is geen ruimte voor een generieke uitzondering voor minderjarigen, maar de Hoge Raad laat hierbij wel de deur open voor een uitzondering afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

De Hoge Raad volgde hierin de conclusie van de Procureur-Generaal Fokkens onder punt 38 waarin ten aanzien van de uitzonderingsgrond ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ door hem werd betoogd dat, hoewel hier geen generieke uitzondering voor geldt, de leeftijd van veroordeelde waarop het strafbare feit is gepleegd mogelijk een rol kan spelen. Of en in welke mate dat het geval is, zal afhangen van de omstandigheden van het concrete geval en zal moeten worden beoordeeld door degene die oordeelt in het concrete geval, dat wil zeggen de officier van justitie of na bezwaar, de rechtbank.

Dit ligt ook in lijn met de bedoelingen van de wetgever, zoals verwoord in de Memorie van Toelichting:
‘Omdat de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond moeilijk in abstracto te bepalen is, zal de toepassing ervan in concrete gevallen aan de hand van de omstandigheden en de persoon van veroordeelde in de beoordeling van de rechter nader gestalte moeten krijgen.’
(TK 2002/2003, 28 685, nr. 3, p. 11)

Inmiddels zien we in de jurisprudentie steeds meer zaken waarbij de belangen van het kind voorop worden gesteld, verwijzend naar de artikelen 3 lid 1 jo 40 lid 2 sub b onder v IVRK.

Voor de beoordeling van onderhavig bezwaarschrift is voorts van belang dat het besluit van de officier van justitie volledig moet worden getoetst. Bij een te strikte toepassing van de uitzonderingsbepaling in het kader van een marginale toetsing, levert dit strijd op met artikel 8 EVRM (zie ook LJN: BD6519, Rechtbank Amsterdam, 27 juni 2008).

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden