EHRM Geerings uitgelegd

In de zaak Geerings vs. Nederland was in de strafzaak Geerings door de rechtbank veroordeeld ter zake (poging tot) diefstallen, (poging tot) inbraken, heling en deelneming aan een criminele organisatie.

Bij het EHRM stond de volgende vraag centraal; Kunnen, bij veroordeling in de hoofdzaak voor ten minste één ten laste gelegd feit, de feiten waarvan is vrijgesproken toch nog betrokken worden in de schatting en de vaststelling van het ontnemingsbedrag?

Uit de slotconclusie van het arrest blijkt dat het EHRM wel tot een expliciete toetsing aan de onschuldpresumptie komt en stelt dus dat er sprake is van schending van artikel 6 lid 2 EVRM. In de uitspraak van het EHRM is kort gezegd expliciet uitgesproken dat feiten waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is vrijgesproken niet betrokken kunnen worden in de ontnemingsprocedure. Het EHRM geeft in overweging 46 aan dat het ontnemingsvoordeel in de zaak Geerings is berekend door middel van een ‘conjectural extrapolation based on a mixture of fact and estimate’.

In de zaak Geerings was uitgegaan van de feiten en schattingen opgenomen in het proces-verbaal. Op basis daarvan is een berekening gemaakt van het ontnemingsbedrag. Het betreft de zogenoemde transactieberekening. Bij een transactieberekening wordt per feit berekend welk voordeel daarmee is behaald.

Al snel na de uitspraak van het EHRM in de zaak Geerings heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die ook van belang is als het gaat om de feiten die betrokken kunnen worden in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit arrest van de Hoge Raad wordt de mogelijkheid uitgesloten om, tijdens de schatting en vaststelling van het ontnemingsbedrag onder het feit waarvan is vrijgesproken alsnog te verstaan een ‘ander strafbaar feit’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (HR 10 april 2007, LJN AY6714).

Wel toegestaan: vermogensvergelijking

In de zaak EHRM Phillips werd bij een (gedeeltelijke) vrijspraak wel een ontnemingsvordering toegestaan ( EHRM 5 juli 2001, no. 41087/98). In die zaak werd echter gebruik gemaakt van de methode van vermogensvergelijking. Bij een vermogensvergelijking wordt vermogen waarover betrokkene kan of kon beschikken, niet rechtstreeks in verband gebracht met concrete strafbare feiten. Het gaat om een abstracte berekeningsmethode, waarbij het ontbreken van een legale herkomst van het onderzochte vermogen centraal staat. Mogelijk is vanwege dit verschil het EHRM in de Geeringszaak wel tot een toetsing aan de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM gekomen.

Conclusie

Aldus kan tot de volgende conclusie worden gekomen:
In zaken waarin de ontnemingsvordering is gebaseerd op een abstracte berekeningsmethoden, kan de ontnemingsvordering wel worden opgelegd bij een (gedeeltelijke) vrijspraak, mits het aannemelijk is dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit de feiten die hem ten laste zijn gelegd.

Voor zaken waarin de ontnemingsvordering gebaseerd is op de concrete berekeningsmethode (de transactieberekening) kan er geen wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen over de periode van de vrijspraak. Vaststellen van voordeel uit deze feiten levert schending van de onschuldpresumptie op. Ondanks de vrijspraak van een ten laste gelegd feit, kan het wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten nog steeds worden ontnomen ( HR 21 april 2009, LJN BG4270). Het berekende voordeel moet dan verminderd worden met het voordeel uit het vrijgesproken feit.

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden