Kosten bij overlijden

Artikel 51f, tweede lid, Sv juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voorzien in een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. De waardering van deze gevorderde schadebedragen wordt per vordering besproken.

Vergoeding van andere schade dan voornoemde posten kan in beginsel niet gevorderd worden door nabestaanden in het kader van de strafprocedure.

Ter onderbouwing van de gevorderde schade kan een beroep gedaan op de rechtstreekse werking van de EU-Richtlijn minimumnormen slachtoffers (hierna: de Richtlijn). Uit de Richtlijn volgt dat slachtoffers, waaronder ook familieleden, al de door hen geleden schade in een strafzaak kunnen vorderen. Tot op heden wordt de richtlijn nog niet geaccepteerd (o.a. ECLI:NL:RBMNE:2016:1609).

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden