Niet-ontvankelijkheid officier van justitie / Openbaar Ministerie / OM

Er kunnen verschillende grondslagen zijn voor een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie / officier van justitie / OM.

Vormverzuimen

De meest bekende grondslag voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zien we bij onherstelbare vormverzuimen. Bij vormverzuimen komt een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in geval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

> Meer informatie niet-ontvankelijkheid OM bij vormverzuimen

Schending beginselen goede procesorde

Bij een schending van de beginselen van goede procesorde kan het Openbaar Ministerie ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

> Meer informatie niet-ontvanekelijkheid wegens beginselen goede procesorde

Verjaring

Door verjaring, vervalt het recht op strafvervolging. De officier van justitie kan na verjaring van een strafbaar feit, de verdachte niet langer vervolgen voor dat feit. Het gevolg van de verjaring is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de strafvervolging.

> Meer informatie niet-ontvankelijkheid OM bij verjaring

OM had in redelijkheid niet tot vervolging kunnen komen

Vanwege het opportuniteitsbeginsel wordt de niet-ontvankelijkheid van het OM vanwege een vervolgingsbeslissing niet snel uitgesproken:
“Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat de officier van justitie bevoegd is, op gronden aan het algemeen belang ontleend, af te zien van vervolging. Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in beginsel niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van een behoorlijke procesorde kan sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” (HR 6 november 2012, BX4280).

Schending vertrouwensbeginsel

Wanneer het Openbaar Ministerie een verdachte toch vervolgt, terwijl de officier eerder een sepotbericht aan de verdachte heeft toegestuurd, handelt het OM in strijd met het vertrouwensbeginsel en dient het OM om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Aan het sepotbericht mag de verdachte immers het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij ter zake van dit feit geen vervolging meer te duchten had.

> Meer informatie niet-ontvankelijkheid OM wegens schending vertrouwensbeginsel

Strijd met eigen beleidsregels en aanwijzingen OM

Het Openbaar Ministerie hanteert eigen Aanwijzingen om te bepalen in welke gevallen er vervolging dient te vinden en wanneer niet, maar ook voor de wijze waarop het opsporingsonderzoek moet worden ingericht. Indien deze Aanwijzingen niet worden gevolgd, kan dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

> Meer informatie schending beleidsregels en aanwijzingen door OM

Vervolging zonder klacht

Voor sommige delicten geldt dat de officier van justitie niet mag vervolgen, tenzij de aangever tevens in een klacht uitdrukkelijk heeft gevraagd om vervolging in te stellen. Als een klacht ontbreekt, zal dit in de meeste gevallen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

> Meer informatie niet-ontvankelijkheid OM bij ontbreken klacht

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden