Noodweerexces, steken met mes na aanval op zoon
In de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 12 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:694 ging het om een moeder die haar ex-vriend 5 keer heeft gestoken met een keukenmes toen hij haar zoon aanviel.Uiteindelijk is noodweerexces geaccepteerd en werd de moeder ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het gerechtshof overwoog het volgende:
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman primair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon, tegen welke aanranding verdediging noodzakelijk was.
Zowel de verdachte als haar zoon hebben namelijk verklaard dat aangever in de avond van 27 juni 2024 uit het niets de zoon van de verdachte aanviel, waarbij hij hem meermaals heeft geslagen en door de woonkamer heeft gegooid. Uit de verklaringen van de verdachte en haar zoon kan voorts worden opgemaakt dat de zoon van de verdachte niet in staat was om zich op eigen kracht te onttrekken aan de aanranding door aangever. Daarbij speelt een rol dat de zoon van de verdachte gehandicapt, licht verstandelijk beperkt en zeer slechtziend is. Verdediging tegen de aanranding door aangever was dus noodzakelijk, zodat aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan, aldus de raadsman. Datzelfde geldt voor het proportionaliteitsvereiste. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de ernst van de aanranding aanzienlijk was, dat, gelet op de verschillen in geslacht, leeftijd en lichaamsbouw tussen aangever (man, geboren in 1973) en de verdachte (vrouw, geboren in 1962) sprake was van een fysieke ongelijkheid tussen beiden en, tot slot, dat de verdachte, alvorens zij overging tot het steken van aangever met een mes, minder ingrijpende middelen heeft aangewend om de aanranding te doen afwenden. Zo heeft de verdachte eerst geroepen dat aangever haar zoon moest loslaten en hem met een plastic fles op zijn rug geslagen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, niet kan slagen. Weliswaar was volgens de advocaat-generaal sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte, waartegen verdediging geboden was, doch het door de verdachte toegepaste verdedigingsmiddel – meermalen steken met een mes in het bovenlichaam van aangever – stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, zodat aan het proportionaliteitsvereiste niet is voldaan.
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr vereist is dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed (noodweersituatie), waartegen verdediging noodzakelijk is (subsidiariteitseis). Als de verdachte zich aan de aanranding had kunnen én moeten onttrekken, is niet voldaan aan deze eis. Voorts is vereist dat de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden/proportioneel is (proportionaliteitseis). Van belang in dat verband is of de gedraging van de verdachte – als verdedigingsmiddel – niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Bij de vraag of aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan, kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop een beroep op noodweer steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en haar zoon, leidt het hof, met het oog op het door de verdediging gevoerde noodweerverweer, de volgende feiten en omstandigheden af. Het hof acht deze feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.
In de avond van 27 juni 2024 bevonden de verdachte, op dat moment 62 jaar oud, haar toen vijftienjarige zoon, die geestelijk en lichamelijk beperkt, slechthorend en slechtziend is, en aangever, op dat moment 51 jaar oud, zich in de (kleine) woonkamer van de woning van de verdachte aan de [pleegplaats] . De verdachte zou de vloer van haar woonkamer (laten) vervangen en wilde op voornoemde avond de meubels en oude vloer uit de woonkamer verwijderen. Aangever en haar zoon zouden de verdachte hierbij helpen. Op enig moment, nadat de verdachte en haar zoon tegen aangever hadden gezegd dat hij weg moest gaan, viel aangever zeer onverwacht en zonder aanleiding de zoon van de verdachte aan en begon hem, onder meer tegen zijn hoofd, te stompen en te slaan. Daarop heeft de zoon van de verdachte zich proberen te verweren en (in zijn eigen woorden) een beetje teruggeslagen, maar aangever bleef hem slaan, pakte hem vast en liet hem niet los. Verbalisant [verbalisant 8] , die na het incident ter plaatse kwam, constateerde dat in het shirt dat de zoon van de verdachte droeg, meerdere gaten en scheuren zaten. De verdachte zag dat haar zoon werd aangevallen door aangever en niet uit eigen beweging weg kon komen. Daarop heeft de verdachte aangever aan zijn shirt en aan zijn haren getrokken, geroepen dat hij moest stoppen en van haar zoon moest afblijven en hem, aangever, met een deels gevulde plastic fles op zijn rug geslagen. Omdat aangever de zoon van de verdachte niet losliet en bleef stompen en slaan, heeft de verdachte een keukenmes gepakt en aangever daarmee gestoken, waarvan vier keer in de rechterbovenrug en één keer in de rechterborstkas. Op dat moment liet aangever de zoon van de verdachte los en verliet hij de woning. Vrijwel direct daarna hebben de verdachte en haar zoon 112 gebeld en is de politie ter plaatse gekomen.
Het hof is van oordeel dat de gedragingen van aangever in de avond van 27 juni 2024 – het plotseling en zonder aanleiding (onophoudelijk) slaan en stompen van de zoon van de verdachte, onder meer tegen zijn hoofd, hem vasthouden en niet loslaten – kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte. Het lukte de zoon van de verdachte niet om zich uit eigen beweging aan deze aanranding te onttrekken. Daarbij is van belang dat aangever ten tijde van de aanval 51 jaar oud was, terwijl de zoon van de verdachte slechts 15 jaar oud was. Hoewel de zoon van de verdachte volgens de verklaring van de verdachte bij de politie “een boom van een kerel” was en is, is hij ook geestelijk en lichamelijk beperkt, slechthorend en slechtziend. Omdat aangever, ondanks weerstand van de zoon van de verdachte en dringende verzoeken van de verdachte om de aanranding te staken, de aanranding onophoudelijk voortzette, is het hof van oordeel dat de verdachte, die haar zoon immers niet alleen kon laten bij aangever, genoodzaakt was het lijf van haar zoon te verdedigen tegen de aanranding. Met de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat de gedraging van de verdachte – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – als verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Dat de verdachte eerst heeft geprobeerd de aanranding met minder ingrijpende middelen af te weren – zij heeft aangever aan zijn shirt en haar getrokken en hem met een deels gevulde waterfles op zijn rug geslagen – doet aan voorgaand oordeel van het hof niet af.
Het hof merkt op dat de verdachte, al tijdens het politieverhoor op 28 juni 2024, verklaard heeft dat zij tijdens de aanval op haar zoon hoorde dat aangever tegen haar zoon zei dat hij hem zou vermoorden/doden, dat zij dacht en vreesde dat aangever dit ook echt zou doen en dat zij daarop het keukenmes heeft gepakt en aangever is gaan steken. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte dit herhaald. De zoon van de verdachte is bij zijn politieverhoor met voormelde verklaring van de verdachte geconfronteerd en heeft daarop desgevraagd verklaard dat hij niet gehoord heeft dat aangever dit gezegd heeft. Desalniettemin acht het hof de verklaring van de verdachte (ook) op dit punt betrouwbaar en aannemelijk. Daarbij overweegt het hof dat het, gelet op de omstandigheden dat de zoon van de verdachte slechthorend is en door aangever werd aangevallen en op zijn hoofd geslagen, goed mogelijk is dat die zoon niet alles wat tijdens de aanranding (een plotselinge gevechtssituatie) door aangever en/of de verdachte gezegd is, heeft meegekregen. Het hof ziet verder geen reden om aan de verklaring van de verdachte te twijfelen.
Het hof is van oordeel dat de opmerking van aangever dat hij de zoon van de verdachte zou vermoorden/doden weliswaar de aanranding door aangever ernstiger en de noodzaak tot verdediging groter en pregnanter maakt, doch dat de gedraging van de verdachte – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – als verdedigingsmiddel ook dan niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.
Aan het proportionaliteitsvereiste is aldus niet voldaan, zodat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen.
Met de rechtbank acht het hof het bewezenverklaarde feit, door de rechtbank terecht gekwalificeerd als poging tot doodslag, strafbaar.
Noodweerexces
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, zodat zij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij de verdachte als gevolg van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever waaraan haar zoon zich niet uit eigen beweging kon onttrekken en waartegen verdediging (derhalve) noodzakelijk was, een hevige gemoedsbeweging (angst en paniek) ontstond, die er vervolgens toe heeft geleid dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging mogelijk heeft overschreden. De raadsman heeft benadrukt dat de verdachte op 27 juni 2024 weliswaar al lange tijd met aangever in conflict was, maar dat dit conflict niet de aanleiding was voor het handelen van de verdachte. Die aanleiding was namelijk de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit het feit dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die na het incident ter plaatse zijn gegaan, in het door hen opgestelde proces-verbaal hebben opgeschreven dat de verdachte op dat moment rustig was en meewerkte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet (daarvoor) in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Het is immers goed mogelijk dat de verdachte op dat moment in shock was. Daar komt bij dat de moeder van de verdachte, met wie de verdachte direct na het incident telefonisch contact had opgenomen, verklaard heeft dat haar dochter verward op haar overkwam. Tot slot heeft de raadsman het hof erop gewezen dat, mocht het hof aannemen dat de verdachte, zoals door de zoon van de verdachte is verklaard, tegen aangever heeft gezegd dat ze een mes ging pakken, uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met het vereiste van “een hevige gemoedsbeweging”, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, niet kan slagen. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat bij de verdachte weliswaar sprake was van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever, doch dat het disproportionele handelen van de verdachte jegens aangever – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – niet het onmiddellijke gevolg was van deze hevige gemoedsbeweging, maar van een reeds eerder bij de verdachte bestaande emotie jegens aangever.
Het hof stelt voorop dat noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr in beeld kan komen als aan alle vereisten voor noodweer is voldaan, behalve aan het proportionaliteitsvereiste omdat sprake is van een al dan niet verontschuldigbare “overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging”. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan sprake zijn indien:
- de verdachte binnen een noodweersituatie verder gaat dan geboden was (intensief exces), dan wel indien
- de verdachte te lang doorgaat met de op zichzelf noodzakelijke verdediging ná afloop van de aanranding (extensief exces).
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging van de verdachte het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een “hevige gemoedsbeweging” die is veroorzaakt door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding – het vereiste van dubbele causaliteit – volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid, jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
Het hof heeft hiervoor onder Noodweer reeds overwogen dat de verdediging van de verdachte tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever weliswaar noodzakelijk, maar niet proportioneel was. Naar het oordeel van het hof was aldus sprake van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging. De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden, is of deze overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar en daarom niet strafbaar is.
Voor wat betreft de feiten en omstandigheden die het hof in casu aannemelijk acht en derhalve aanneemt, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder Noodweer is overwogen. In aanvulling daarop leidt het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en haar zoon, met het oog op het door de verdediging gedane beroep op noodweerexces, de volgende feiten en omstandigheden af. Het hof acht ook deze feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.
In de avond van 27 juni 2024 te [pleegplaats] was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte door aangever, tegen welke aanranding verdediging noodzakelijk was. De zoon van de verdachte was niet in staat om zich uit eigen beweging aan de aanranding te onttrekken en aangever bleef, ondanks weerstand van de zoon en dringende verzoeken en pogingen van de verdachte om de aanranding te staken, de zoon vasthouden, slaan en stompen. De verdachte zag de angst in de ogen van haar zoon en raakte in paniek. Op het moment dat zij aangever hoorde zeggen dat hij haar zoon zou vermoorden/doden, sloegen bij haar, zo verklaarde zij bij de politie, de stoppen door. De verdachte was bang dat aangever daartoe daadwerkelijk zou overgaan. Tijdens het tweede verhoor bij de politie heeft de verdachte dienaangaande verklaard dat zij wist dat aangever gevaarlijk was en dat zij om die reden een dergelijke opmerking van aangever (“ik maak je wel dood”) serieus neemt. Vervolgens pakte de verdachte van het aanrecht in de (deels open) keuken, op korte afstand van waar aangever en de zoon van de verdachte zich bevonden, een (kartel)mes. Daarmee heeft zij aangever vijf keer in zijn bovenlichaam gestoken. Hierna liet aangever de zoon van de verdachte los en verliet hij de woning.
Uit het dossier volgt dat de verdachte in de maanden voorafgaand aan 27 juni 2024 bij de politie verschillende meldingen had gedaan van bedreiging, mishandeling en afpersing door aangever. Naar aanleiding van één van deze meldingen – in het dossier wordt gesproken van een casus van huiselijk geweld – is aan aangever zelfs een huis-/contactverbod met betrekking tot (de woning van) de verdachte opgelegd. Ook heeft de verdachte verklaard dat aangever drugsverslaafd en als gevolg daarvan soms erg onvoorspelbaar was en dat hij wel eens stemmen in zijn hoofd hoorde en psychotisch was.
Uit het reclasseringsadvies d.d. 9 juli 2024 volgt voorts dat de wijkagent van de wijk waarin de verdachte woonachtig was tegen de reclassering heeft verteld dat aangever de verdachte volledig controleerde, dat de verdachte geen vrije keuze had om nee te zeggen tegen aangever en dat de verdachte door (de familie van) aangever, die in het huis achter dat van de verdachte woonde, constant in de gaten werd gehouden.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij de verdachte naar aanleiding van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever een hevige gemoedsbeweging is ontstaan. Deze hevige gemoedsbeweging was het onmiddellijke gevolg van de aanranding door aangever en niet van een al eerder bij de verdachte jegens aangever bestaande emotie, zoals kwaadheid. Weliswaar was op de datum van het incident sprake van een reeds langdurig conflict tussen de verdachte en aangever, maar dit conflict vormde naar het oordeel van het hof niet de aanleiding voor het handelen van de verdachte. In dat verband merkt het hof op dat de verdachte, na het verbreken van de relatie met aangever, zelf de hulp had ingeroepen van aangever bij de verbouwing van haar keuken en de herinrichting van de woonkamer. Het hof acht wel aannemelijk dat de gebeurtenissen tussen de verdachte en aangever die voorafgingen aan het incident, invloed kunnen hebben gehad op het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. De verdachte had – blijkens de hiervoor genoemde meldingen – in het verleden namelijk meer dan eens ervaren dat aangever agressief en onvoorspelbaar kon zijn, zodat de vrees dat hij, mede gelet op de door hem geuite bedreiging jegens de zoon van de verdachte, te ver zou gaan in de uitoefening van het geweld tegen die zoon niet ongefundeerd was.
In het requisitoir van de advocaat-generaal wordt groot gewicht toegekend aan de verklaring van de zoon van de verdachte dat hij zijn moeder heeft horen roepen dat zij een mes ging pakken in de keuken. De verdachte heeft echter steeds ontkend dit te hebben geroepen. Ook aangever heeft niet verklaard dat hij de verdachte iets dergelijks heeft horen roepen. Daarbij tekent het hof aan dat de zoon van de verdachte slechthorend is. Dit alles maakt dat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte een dergelijke uitlating zou hebben gedaan, zodat het hof hieraan voorbijgaat, wat er verder ook van zij. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, zoals de raadsman van de verdachte terecht heeft aangevoerd, uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met het vereiste van “een hevige gemoedsbeweging”, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.
Ten overvloede merkt het hof nog op dat de raadsman eveneens terecht heeft aangevoerd dat uit het feit dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die na het incident ter plaatse zijn gegaan, in het door hen opgestelde proces-verbaal hebben opgeschreven dat de verdachte op dat moment rustig was en meewerkte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet (daarvoor) in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Dat de verdachte na het incident rustig was, kan immers allerlei oorzaken hebben en daarbij is het goed mogelijk dat de verdachte in shock was.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat aan de vereisten van noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, is voldaan. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar is voor het bewezenverklaarde en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.