Onrechtmatige inbeslagneming, zonder gevolgen

In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, 7 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5146, werd door de advocaat met succes verweer gevoerd tegen het onrechtmatig binnentreden en doorzoeken van de woning, waarbij een personal computer van de verdachte in beslag was genomen. De reden voor het binnentreden was een melding van een door de verdachte opgehangen camera die op een kinderspeelplaats zou zijn gericht. De rechtbank oordeelt dat dit nog geen strafbaar feit betreft en dat de politie aldus geen reden had om binnen te treden. Evenwel verbindt de rechtbank geen gevolgen aan dit onherstelbaar vormverzuim omdat de moeder toch ook toestemming had gegeven en de verdachte ook overigens niet echt in zijn belangen is geschaad. Kortom, de rechtbank stelt alleen het vormverzuim vast, zonder dat hieraan gevolgen worden verbonden.

Verweer advocaat: onrechtmatige inbeslagneming

De advocaat stelt zich op het standpunt dat op 16 juni 2010 de woning van de verdachte onrechtmatig doorzocht is en dat tijdens die doorzoeking zijn personal computer (hierna: PC) en een losse harde schijf onrechtmatig in beslag zijn genomen. Om die reden zouden volgens de verdediging de resultaten van het onderzoek naar die gegevensdragers niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Bovendien, zo stelt de verdediging, is het zogenoemde Headspin-onderzoek dat uiteindelijk (in 2015) heeft geleid tot de doorzoeking en inbeslagneming van gegevensdragers in de woning van de verdachte in Wales, een rechtstreeks voortvloeisel van het onrechtmatige beslag op de PC in 2010. Om die reden zouden ook de resultaten van het onderzoek naar de in 2015 in beslag genomen gegevensdragers van het bewijs moeten worden uitgesloten; het gaat immers om “fruits of the poisonous tree”.

De advocaat baseerde haar standpunt dat de doorzoeking en inbeslagneming in 2010 onrechtmatig waren op de volgende argumenten:

  1. Er was geen vermoeden van een strafbaar feit, geen ‘strafrechtelijk relevante situatie’ die aanleiding kon vormen om bij de woning van de verdachte aan te bellen, laat staan om aan de moeder van de verdachte toestemming te vragen voor de doorzoeking;
  2. Een machtiging tot binnentreden ontbrak;
  3. Geen van de situaties, bedoeld in artikel 96 Sv, deed zich voor;
  4. De moeder van de verdachte heeft onder druk toestemming gegeven voor de doorzoeking en voor de inbeslagneming van de gegevensdragers;
  5. Er was geen enkele reden om de PC van de verdachte mee te nemen. De reden van het binnentreden was immers gelegen in de aanwezigheid van camera’s die aan de woning van de verdachte hingen. Die camera’s waren niet verbonden met de PC.

Onrechtmatige inbeslagneming

Uit de stukken blijkt dat de aanleiding voor de doorzoeking en inbeslagneming op 16 juni 2010 lag in een melding van buurtgenoten van de verdachte. Die melding hield, kort weergegeven, in dat de zoon van de bewoners van de woning [straatnaam 2] te Hoek van Holland camera’s had opgehangen aan de dakgoot van de woning. Deze camera’s stonden onder andere gericht op een kinderspeelplaats. De zoon had al eens vastgezeten voor kinderporno en de buren vertrouwden de situatie niet.
Onderzoek in de politiesystemen bracht aan het licht dat de verdachte op het genoemde adres woonde en dat tegen hem in 2002 een proces-verbaal was opgemaakt in verband met bezit van kinderpornografisch materiaal.
Officier van justitie mr Bijl gaf vervolgens opdracht om een onderzoek in te stellen en goederen in beslag te nemen die de waarheid aan het licht zouden kunnen brengen.

Op woensdag 16 juni 2010 zijn politie-ambtenaren naar de woning gegaan. Zij zagen dat aan de gevel van de woning twee camera’s bevestigd waren en dat die camera’s gericht waren op de openbare weg. De deur werd geopend door [de moeder van de verdachte] , die desgevraagd toestemming gaf om de woning binnen te komen. Zij vertelde dat haar zoon niet thuis was. Volgens haar had haar zoon de camera’s opgehangen omdat hij de zolderverdieping bewoonde en op die manier kon zien wat er buiten gebeurde. De zolderverdieping had namelijk geen ramen.
In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 oktober 2010, waarin het bezoek aan de woning is beschreven, is het gesprek dat vervolgens met verdachtes moeder is gevoerd, als volgt weergegeven: “U vraagt mij of ik toestemming verleen om de computers van mijn zoon in beslag te nemen. U vertelt mij dat er onderzoek gedaan wordt of er beelden zijn opgenomen. Ik vind dit een moeilijke beslissing, want mijn zoon is aan het werk. Ik begrijp de reden van het onderzoek en verleen u bij deze toestemming.” Die verklaring van de moeder van de verdachte is (in handgeschreven vorm) bij het proces-verbaal van bevindingen gevoegd. Onder de verklaring staat – boven de handtekeningen van de verbalisanten – een handtekening waarover de moeder van de verdachte tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het haar handtekening is.

Na die schriftelijk toestemming zijn de verbalisanten met verdachtes moeder naar de zolder van de woning gegaan. Zij beschrijven hun bevindingen als volgt: “Wij zagen veel bedrading over de vloer en langs het dak lopen. Er lagen ook diverse computeronderdelen. Wij zagen ook dat de monitor in werking was. Op het beeld dat op de monitor te zien was, herkenden wij de omgeving van de woning aan de [straatnaam 2] . Wij zagen het beeld van de parkeerplaats. Wij hebben niet vastgesteld of dit een afbeelding op het bureaublad was of dat dit beeld rechtstreeks werd doorgegeven middels de camera’s. Kennelijk waren dit wel beelden, die door de eerder genoemde camera’s werden of waren opgenomen. Wij zagen dat de monitor verbonden was met een computerkast. Daar wij niet direct konden vaststellen of er beelden en/of geluid van de openbare weg werd opgenomen en wij wilden voorkomen dat wij eventuele gegevens zouden wissen, heb ik verbalisant Middendorp, de computer losgekoppeld van de monitor. De kabels achterin de computerkast heb ik eveneens losgekoppeld. De kamer werd verder niet door ons doorzocht.”

De rechtbank ziet – gezien de inhoud van het hierboven weergegeven ambtsedige proces-verbaal – geen reden om er aan te twijfelen dat de opsporingsambtenaren op 16 juni 2010 met toestemming van de moeder van de verdachte de woning van de verdachte hebben betreden. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft [de moeder van de verdachte] hierover verklaard dat de opsporingsambtenaren haar zeiden dat, als zij geen toestemming zou geven, de politie met meer mensen in uniform zou komen, zodat iedereen het zou zien ziet en dat zij dan alsnog binnen zouden komen. Als de verbalisanten dit inderdaad gezegd hebben – uit het eerder genoemde proces-verbaal van bevindingen blijkt daar niets van – dan nog ziet de rechtbank hierin geen reden voor het oordeel dat de verbalisanten daarmee ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend om de toestemming tot binnentreden te verkrijgen.

Gezien de toestemming was een machtiging tot binnentreden niet vereist en is ook niet relevant of één van de situaties, bedoeld in artikel 96, eerste lid, Sv zich voordeed. Voor zover de verdediging bedoelt te stellen dat voor het vragen van toestemming tot binnentreden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit vereist zou zijn, overweegt de rechtbank dat voor die stelling geen wettelijke grondslag is te vinden.

Anders dan de verdediging kennelijk meent, zijn de woning en meer in het bijzonder de kamer van de verdachte niet doorzocht. De handelingen die in het proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2010 zijn beschreven, behelzen geen doorzoeking. In het proces-verbaal is vervolgens met zoveel woorden vermeld dat de kamer van de verdachte verder niet is doorzocht. Nu geen doorzoeking heeft plaatsgevonden, was daar ook geen toestemming voor nodig.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, Sv (voor zover hier van belang) zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar voor inbeslagneming. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er – wil tot inbeslagneming kunnen worden overgegaan – een vermoeden moet zijn dat er een strafbaar feit is gepleegd en dat de in beslag te nemen voorwerpen redelijkerwijs kunnen dienen om op dat punt de waarheid aan het licht te brengen.

In het onderhavige geval volgde de inbeslagneming op signalen uit de buurt dat aan de gevel van de woning van de verdachte camera’s hingen die mogelijk waren gericht op een kinderspeelplaats, op de vaststelling dat tegen de verdachte eerder een proces-verbaal wegens het bezit van kinderporno was opgemaakt en op de vaststelling dat op een monitor een beeld van buiten de woning zichtbaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigden deze omstandigheden niet het vermoeden dat er mogelijkerwijs een strafbaar feit werd begaan. Het filmen van kinderen in een speeltuin – hoe dubieus ook gezien het verleden van de verdachte – is immers niet strafbaar. Bovendien was niet aanstonds duidelijk dat met de camera’s kinderen in een speeltuin werden gefilmd: op een beeldscherm zagen de verbalisanten beelden van een parkeerplaats. De voorwerpen in de kamer van de verdachte konden dan ook redelijkerwijs niet dienen om de waarheid omtrent een strafbaar feit boven tafel te krijgen. Nu niet is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarde van artikel 94, eerste lid, Sv, acht de rechtbank de inbeslagneming onrechtmatig. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of hieraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden of dat een constatering van het vormverzuim afdoende is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet met de volgende drie factoren rekening worden gehouden:

  1. het belang dat het geschonden voorschrift dient (Schutznorm);
  2. de ernst van het verzuim;
  3. het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

 

Ad 1 Het geschonden voorschrift dient ter bescherming van de belangen van de verdachte.

Ad 2 Ten aanzien van de ernst van het verzuim overweegt de rechtbank dat de schending voortvloeit uit een beoordelingsfout met betrekking tot de vraag of de verdachte met het filmen mogelijk een strafbaar feit beging. Het verzuim vormt, gelet op omstandigheden waaronder het is begaan, naar het oordeel van de rechtbank geen bewuste overtreding van een belangrijke strafvorderlijke norm of beginsel, maar een beoordelings-/inschattingsfout. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank dat de ernst van het verzuim relatief beperkt is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inbeslagneming met toestemming van de hoofdbewoonster is gebeurd.

Ad 3 Ten aanzien van het nadeel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt ontdekt door het desbetreffende vormverzuim, niet geldt als nadeel in de zin van artikel 359a Sv. De raadsvouw heeft ten aanzien van het nadeel dat de verdachte heeft geleden verder slechts aangevoerd dat de PC en harde schijf onrechtmatig in beslag zijn genomen. Het aangevoerde daadwerkelijk geleden nadeel is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en kan mede daarom als gering worden beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat gezien de ernst van het verzuim enerzijds en de ernst van het hierdoor geleden nadeel anderzijds, beide zoals hiervoor uiteen gezet, volstaan kan worden met de constatering dat sprake is van een vormverzuim.

De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de resultaten van het onderzoek naar de in 2010 (en – in het verlengde daarvan – in 2015) in beslag genomen gegevensdragers van het bewijs moeten worden uitgesloten.

> Meer informatie inbeslagneming

< Terug naar Vormverzuim
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden