Opgelegde schadevergoedingsmaatregel in mindering op ontnemingsvordering

Indien door de rechtbank een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd aan de veroordeelde ex. artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, dient op grond van artikel 36e lid 8 van het Wetboek van Strafrecht dat bedrag in mindering te worden gebracht op het geschatte voordeel ( HR 7 december 2004, NbSr 2005/28, NJ 2008/420). Het moet hierbij wel gaan om een vordering die is te beschouwen als een vordering gebaseerd op schade/nadeel dat de benadeelde rechtstreeks heeft geleden door de ten laste
van de veroordeelde bewezen verklaarde feiten naar aanleiding waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat ( HR 29 oktober 2002, NJ 2003/18).

Op 28 juni 2011 werd door de Hoge Raad nogmaals uitgelegd wat de wetgever heeft bedoeld met lid 8 van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht;
‘2.3. In zijn arrest van 9 september 1997, LJN ZC9560, NJ 1998/91 heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “4.2. Het is blijkens de parlementaire geschiedenis de bedoeling van de wetgever geweest dat bij het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat in bepaalde gevallen rekening wordt gehouden met de door het wederrechtelijk verkregen voordeel benadeelde derde. Indien, voordat is vastgesteld op welk bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, tussen de veroordeelde en de benadeelde derde reeds een restitutie tot stand is gekomen, wordt het betreffende bedrag niet tot het voordeel van de veroordeelde gerekend. Ingevolge het bepaalde bij het zesde lid van art. 36e Sr wordt bij het bepalen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat een aan de benadeelde derde in rechte toegekende vordering in mindering gebracht. Voorts kan de rechter indien de vordering van de benadeelde derde nog niet onherroepelijk in rechte is
vastgesteld, maar er al wel voldoende zekerheid bestaat omtrent de legitimiteit en de omvang van die vordering, daarmee op het moment dat hij de omvang van het te ontnemen bedrag schat rekening houden.’

Zie ook:

In rechte toegekende vorderingen van derden moeten in mindering worden gebracht op het geschatte bedrag (LJN: AO2607).

Alleen voorzover vordering betrekking heeft op gedeelte ontnemingsmaatregel

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5162 nogmaals aangegeven dat de vordering benadeelde partij alleen in mindering kan worden gebracht voor zover de vordering betrekking op het feit waarop de ontnemingsmaatregel ziet.

“De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AA5438 en LJN BB7108 m.b.t art. 36e.6 Sr. De door de Rb onherroepelijk toegekende vordering aan de benadeelde partij heeft deels betrekking op locatie X. De berekening van een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op dezelfde locatie. Zulks in aanmerking genomen en gelet op het bepaalde in art. 36e.6 Sr, had het Hof er blijk van moeten geven te hebben onderzocht of die in rechte toegekende vordering al dan niet gedeeltelijk in mindering diende te worden gebracht op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”

Onherroepelijke toewijzing

Bij een onherroepelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij dient de rechter altijd het toegekende bedrag op de ontnemingsmaatregel in mindering te brengen (LJN: AA5438 en LJN: BB7108)

In buitenland toegekende vorderingen

De rechter hoeft niet de in het buitenland toegekende vorderingen als kostenpost mee te nemen bij de ontnemingsmaatregel (ECLI:NL:HR:2013:125).

 

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden