Redelijke termijn in jeugdstrafzaak

Voor een jeugdstrafzaak gelden weer andere normen voor de redelijke termijn dan voor het volwassenenstrafrecht.

Wat betreft de berechting van een jeugdstrafzaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Voor de behandeling van de jeugdstrafzaak in hoger beroep geldt eveneens als regel dat het geding met een einduitspraak te zijn afgerond
binnen 16 maanden. 

In tabel:

 Jeugdstrafzaak eerste aanleg Jeugdstrafzaak hoger beroep
Redelijke termijn16 maanden16 maanden

De door de HR gehanteerde vuistregel dat in gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, de zaak – zowel in e.a. als in h.b. – binnen 16 mnd. dient te zijn afgedaan beoogt recht te doen aan het belang dat gemoeid is met de voortvarende afdoening van de zaak als aan het belang dat is gelegen in de waarborging van de kwaliteit van het strafproces. Deze vuistregel laat geheel onverlet dat een zo mogelijk voortvarender afdoening onmiskenbaar gewenst is.

Schending artikel 40 lid 2 IVRK

Artikel 40 lid 2 IVRK schrijft een berechting zonder vertraging op. De advocaat kan bij een schending van de redelijke termijn ook hierop een beroep doen:
"dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn ouders of wettige voogden;"

Let echter op HR 16 december 2003, LJN: AL9062:
art. 40, tweede lid sub b onder iii IVRK stelt ten aanzien van de termijn waarbinnen een strafzaak tegen een jeugdige moet worden berecht, niet andere, verder gaande, eisen dan reeds uit art. 14 IVBPR en art. 6 EVRM voortvloeien. De HR week daarbij expliciet af van de het standpunt van de AG Vellinga in diens uitvoerige conclusie waarin de A-G wees op het verschil tussen enerzijds afdoening "binnen redelijke termijn/within reasonable time" als vervat in art. 6 EVRM respectievelijk afdoening "zonder onredelijke vertraging/witthout undue delay" als bedoeld in art. 14 IVBPR en anderzijds "zonder vertraging/without delay" (art. 40 lid 2 IVRK) en verbindt daar consequenties aan.

zie voorts:

HR herhaalt steeds de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AL9062, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ECLI:NL:HR:2010:BL3228 en ECLI:NL:HR:BP5361. De HR ziet op dit moment geen aanleiding tot aanpassing van zijn rechtspraak m.b.t. de rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

Alternatief voor schending redelijke termijn

Als alternatief voor niet-ontvankelijkheid van het OM bij schending van de redelijke termijn kan de advocaat vragen om:

  • toepassing van artikel 9a Sr.
  • een geheel voorwaardelijke straf, met een geringe proeftijd

 

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden