Uitkering Schadefonds en vordering benadeelde partij

Wanneer het Schadefonds geweldsmisdrijven een uitkering heeft gedaan aan het slachtoffer, hoeft de rechter voor de vaststelling van de hoogte van de vordering voor de benadeelde partij hiermee geen rekening te houden.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 26 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:156
Het hof is van oordeel dat de door het Schadefonds uitgekeerde bedragen niet in mindering komen op hetgeen de benadeelde partij in deze strafzaak vordert. Uit de bovenbedoelde mededeling van het Schadefonds dat, indien de benadeelde nog geld krijgt van de dader, wordt beoordeeld of de benadeelde moet terugbetalen aan het Schadefonds, blijkt dat de uitkeringen een voorlopig karakter hebben. Van (definitieve) subrogatie is dan nog geen sprake. De bedoelde mededeling is gebaseerd op artikel 6, leden 2 en 3, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. De huidige formulering van artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven is tot stand gekomen bij Wet van 14 juni 2011, Stb. 2011, 276, inwerkingtreding 1 januari 2012. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het juist de bedoeling is dat de rechter een uitkering aan de benadeelde uit het Schadefonds niet in mindering brengt op een schadevordering van de benadeelde tegen de verdachte. De Memorie van Toelichting luidt als volgt: ‘Verder vraagt het Schadefonds geweldsmisdrijven om artikel 6 te verduidelijken en in overeenstemming te brengen met de praktijk. De praktijk is namelijk dat het Schadefonds het uitgekeerde bedrag niet op de dader verhaalt. Het is volgens het Schadefonds dan ook onwenselijk als de rechter bij een voeging en het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel al rekening houdt met een eerdere uitkering uit het Schadefonds, omdat in die gevallen de schadeveroorzaker (de dader) niet wordt veroordeeld in het betalen van de volledige schadevergoeding. Het Schadefonds doet de suggestie om expliciet op te nemen dat de benadeelde (aanvrager) zijn vorderingsrecht behoudt, naast de subrogatie van het Schadefonds geweldsmisdrijven.’ (Kamerstukken II, 32363, 2009-2010, nr. 3, p. 4).

zie ook Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:432;

ANDERS: Rb Limburg, 4 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:3827.

 

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden