Wanneer eendaadse samenloop of voortgezette handeling

Het is niet altijd even duidelijk wanneer er nu sprake is van eendaadse samenloop en een voorgezette handeling. Het is daarom van belang dat we aan de hand van de jurisprudentie van de Hoge Raad over eendaadse samenloop hier meer duidelijkheid over verschaffen.

Eendaadse samenloop

Voor eendaadse samenloop is het van belang of de bewezenverklaarde gedragingen zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan ‘(in wezen) één verwijt wordt gemaakt’. Men spreekt van eendaadse samenloop (art. 55 lid 1 Sr) als de gedragingen een ‘samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren’. Bij voortgezette handeling (art. 56 lid 1 Sr) komt het aan op ‘verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het “wilsbesluit”).’ De rechter kan het handelen als één of meerdere strafbare feiten kwalificeren, als hij maar de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Volgens de Hoge Raad kan bij eendaadse samenloop kwalificatie als één strafbaar feit in de rede liggen om onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen; bij de voortgezette handeling niet.

Eerder was van eendaadse samenloop geen sprake als de toepasselijke strafbepalingen strekten ter bescherming van andere rechtsgoederen. In het arrest HR, 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 heeft de Hoge Raad de interpretatie verruimd met het oog op het aanverwante art. 68 Sr en de daarin vervatte bedoeling om dubbele bestraffing te voorkomen. De Hoge Raad overweegt: ‘Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ – naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte – de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepaling is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt’. Sindsdien kan van eendaadse samenloop ook sprake zijn als de strekking van de desbetreffende strafbepalingen verschilt, maar niet wezenlijk uiteenloopt.

Voorbeelden eendaadse samenloop

In de jurisprudentie zien we een beperkt aantal voorbeelden van arresten van de Hoge Raad waarbij er sprake is van eendaadse samenloop:

  • de strekking van poging tot doodslag en zware mishandeling komen voldoende overeen (HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NbSr 2017/283).
  • De strekking van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging (HR, 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831)

Gevolgen eendaadse samenloop

In de meeste gevallen heeft een beroep op eendaadse samenloop nauwelijks effect. De straffen die doorgaans worden opgelegd, liggen vaak onder het strafmaximum, zo ook in HR, 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831. De Hoge Raad overweegt dat zijn straf van twintig maanden ver onder het strafmaximum van 10 jaar in het geval van eendaadse samenloop ligt, zodat hij onvoldoende belang heeft bij cassatie. Ditzelfde gold in de arresten van 20 juni 2017. De Hoge Raad overwoog nadrukkelijk dat de samenloopregeling in cassatie zelden voorbijkomt terwijl het van groot belang is in feitelijke aanleg, zodat de Hoge Raad algemene opmerkingen wilde maken over de uitleg en toepassing van de wetsbepalingen, evenwel ‘met de kanttekening dat de zeer beperkte toetsing in cassatie niet zal veranderen’.

In r.o. 3.3.2 overweegt de Hoge Raad dat art. 55 lid 1 en 56 Sr weliswaar het strafmaximum (mede) bepalen, maar dat de rechter daarbinnen vrij is in de keuze van de straf en waardering van de factoren die hij van belang acht. Het enkele feit dat de rechter ten onrechte uitgaat van meerdaadse samenloop brengt daarom niet mee dat in een concrete zaak sprake is van onevenredige bestraffing.

De strafrechter mag in de strafmaat rekening houden met alle verwijten die de verdachte omtrent zijn gedrag kunnen worden gemaakt. In de praktijk heeft het vraagstuk van eendaadse of meerdaadse samenloop in zaken waarbij de wettelijke strafmaxima niet worden gehaald dan ook allang aan belang ingeboet.

Jurisprudentie eendaadse samenloop

In de rechtspraak van de Hoge Raad over eendaadse samenloop is gaandeweg sterk het accent komen te liggen op de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen. Indien die strekking uiteenloopt, is geen sprake van “één feit” in de zin van art. 55 lid 1 Sr. Deze sterk juridisch getinte toetsing met een nadruk op de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, leidt tot een beperkt bereik van de regeling van de eendaadse samenloop. Uit die rechtspraak moet echter niet worden afgeleid dat eenzelfde strekking een noodzakelijke voorwaarde is voor het aannemen van eendaadse samenloop. Evenmin is uitgesloten dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van art. 56 lid 1 Sr van heling en witwassen indien aan de gedragingen van de verdachte met betrekking tot hetzelfde voorwerp één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak over de voortgezette handeling waarin centraal staan de met elkaar samenhangende eisen dat de verschillende strafbare feiten gelijksoortig zijn, en dat zij, chronologisch gezien, een nauw verband hebben, met één ongeoorloofd wilsbesluit als grondslag. Naar huidig inzicht staat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling. In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meer strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking.

Vervolgens komt het voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het “wilsbesluit”) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Dat brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.

De ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling vindt mede steun in het vooral met art. 55 lid 1 Sr verwante art. 68 Sr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” – naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte – de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt. Het toetsingskader voor “één feit” als bedoeld in art. 55 lid 1 Sr kan echter niet worden gelijkgeschakeld met het toetsingskader voor “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr. Bij art. 68 Sr staat de vervolgbaarheid voorop, in die zin dat de verdachte niet opnieuw in rechte mag worden betrokken na een eerdere onherroepelijke rechterlijke einduitspraak over hetzelfde feit, en dat de tenlastelegging niet op de voet van art. 313 Sv aldus kan worden gewijzigd dat de verdachte alsnog wordt vervolgd voor een ander feit dan hem is tenlastegelegd. Bovendien wordt het ne bis in idem-beginsel dat aan art. 68 Sr ten grondslag ligt – anders dan de samenloop – mede bepaald door Europese regelgeving en rechtspraak.

Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop is het in beginsel aan de feitenrechter om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. Bij een voortgezette handeling ligt dat echter niet in de rede.
(Hoge Raad, 20-06-2017, ECLI:NL:HR:2017:1111).


 

Hoge Raad, 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831

In zijn arresten van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NbSr 2017/283 tot en met ECLI:NL:HR:2017:1115, heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling gegeven. De overwegingen uit voornoemde arresten laten zich op hoofdlijnen als volgt samenvatten.

De eendaadse samenloop en de voortgezette handeling vervullen een wezenlijke functie bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten.

Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het “wilsbesluit”) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

Het toepassingsbereik van deze regelingen is ruimer dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden. Die ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling vindt mede steun in het vooral met art. 55 lid 1 Sr verwante art. 68 Sr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” – naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte – de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.

Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop is het in beginsel aan de feitenrechter om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. Bij een voortgezette handeling ligt dat echter niet in de rede.

3.3.2. De Hoge Raad heeft in de hiervoor genoemde arresten tevens overwogen dat art. 55 lid 1 en art. 56 Sr in zijn recente rechtspraak zelden aan de orde komen en dat daarbij een belangrijke rol speelt dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat – kort gezegd – de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan. Vanwege het belang dat het thema heeft met name in feitelijke aanleg, heeft de Hoge Raad de onder 3.3.1 samengevat weergegeven opmerkingen gemaakt over de uitleg en de toepassing van voornoemde wetsbepalingen, met de kanttekening dat de zeer beperkte toetsing in cassatie niet zal veranderen.

In verband met die toetsing in cassatie is van belang dat art. 55 lid 1 en art. 56 Sr weliswaar het in een concreet geval geldende strafmaximum (mede) bepalen, maar dat binnen de grenzen van dat strafmaximum de strafoplegging door uiteenlopende factoren wordt bepaald, waaronder de concrete ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is – binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum – vrij in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht (HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805). Dientengevolge brengt de enkele omstandigheid dat de rechter ten onrechte is uitgegaan van meerdaadse samenloop in plaats van eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling, nog niet met zich dat in die concrete zaak van onevenredige bestraffing sprake is. Een en ander laat onverlet dat de Hoge Raad in cassatie aangevoerde klachten kan bespreken – ook zonder dat zulks leidt tot vernietiging en terugwijzing – met het oog op het aanduiden van de voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van art. 55 lid 1 en 56 Sr.

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden