Beoordelingskader verzoek tot uitstel zitting

Als uitgangspunt bij de rechterlijke belangenafweging geldt dat respect voor het verdragsrechtelijke aanwezigheidsrecht het zwaarste moet wegen. Dat kan worden afgeleid uit bijv. HR 7 december 2010, sub 2.4, RvdW 2010/1496, ECLI:NL:HR:2010:BO0083 en HR 28 januari 2014, NJB 2014/374, ECLI:NL:HR:2014:193. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het belang van een behoorlijke strafvordering (berechting binnen een redelijke termijn) voorrang wordt gegeven boven het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

Belangenafweging

Het recht van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak – strafzaak of ontnemingszaak – op de terechtzitting aanwezig te zijn, geldt, zo blijkt ook uit het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet absoluut. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat het belang van een behoorlijke strafvordering – mede omvattend de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – zwaarder moet wegen dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het spreekt voor zich dat de feitenrechter, voor deze afweging van belangen geplaatst, motiveert dat en waarom hij gelet op de omstandigheden van het concrete geval aan het ene of juist aan het andere belang meer gewicht hecht. Daarbij spelen verschillende factoren, juist in hun onderlinge verhouding, een rol. Ik noem de volgende:

  • ziekte en de aard daarvan;
  • eerdere aanhoudingen op verzoek van de verdediging;
  • of er voor de geplande terechtzitting getuigen, deskundigen en/of slachtoffers te verwachten zijn;
  • de lengte van de periode die is gelegen tussen het tijdstip waarop het tenlastegelegde feit is begaan en het aanhoudingsverzoek.

(vlg  HR 8 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:887)

Ook andere factoren kunnen die bij de belangenafweging vanouds een rol behoren te spelen

  • waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte,
  • voortvarende afdoening van de zaak,
  • goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, NJ 1999/294NJ 1999/294)
  • recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze

Strikt genomen noemt de Hoge Raad in zijn rechtspraak het belang van het recht op de vrije advocaatkeuze niet in het rijtje van relevante belangen, tenzij men van mening is dat rechtsbijstand een voorwaarde is voor een verdachte om zijn aanwezigheidsrecht effectief te kunnen uitoefenen. Beide rechten zijn zeker met elkaar verbonden en in die zin behoren zij bij de te maken belangenafweging het vertrekpunt te vormen; zij zijn prevalent, tenzij andere omstandigheden zwaarder wegen (zie o.a. HR 11 november 2014, NJ 2015/6 en HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421, NJ 2015/39).

Ziekte verdachte

In de ziekte van de verdachte kan een omstandigheid zijn gelegen om de behandeling van de zaak aan te houden. De vraag is alleen wat hier onder ziekte dient te worden verstaan. Niet elke ziekte, zelfs niet elke ernstige ziekte, vormt een omstandigheid die tot inwilliging van het aanhoudingsverzoek dient te leiden. Niet altijd is het nodig om de desbetreffende patiënt gedurende de gehele behandeling in het ziekenhuis te houden. Is iemand daarentegen door een tijdelijk en betrekkelijk onschuldig griepvirus getroffen, dan kunnen de ziekteverschijnselen ertoe leiden dat bijwoning van de behandeling van de zaak op dat moment redelijkerwijs niet kan worden gevergd. En ook elke operatie noopt niet tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Een acuut uit te voeren operatie aan een vitaal orgaan is nog wat anders dan een verfraaiing van een lichaamsdeel door middel van cosmetische chirurgie. Hoe dient evenwel een betrekkelijk eenvoudige operatie, bijvoorbeeld aan de meniscus, te worden gewogen? Ook in dat geval is er in beginsel geen sprake van een absolute verhindering. Er is dan immers ruimte om een keuze te maken tussen het gehoor geven aan de oproep om op de terechtzitting te verschijnen en de afspraak die met het ziekenhuis is gemaakt. Deze keuzemogelijkheid zal in de door de rechter te maken belangenafweging een rol van betekenis spelen, waarbij de eventueel voortdurende pijn als gevolg van uitstel van de meniscusoperatie en de constatering dat niet eerder in het strafproces een aanhoudingsverzoek is gedaan mede richtinggevend zijn.

Het voorgaande onderstreept het belang en de zinvolheid van onderbouwing van het aanhoudingsverzoek met bewijsstukken en de waarschuwing van de Hoge Raad dat de verdachte die zich op ziekte beroept en daarop zijn aanhoudingsverzoek baseert, er in beginsel niet van uit mag gaan dat zijn verzoek zonder meer wordt ingewilligd. Of de ziekmelding aannemelijk en van voldoende gewicht is dan wel of het belang van een behoorlijke strafvordering moet prevaleren boven het belang van de verdachte bij aanhouding van de behandeling van zijn zaak en diens aanwezigheidsrecht, staat dan immers nog ter beoordeling van de feitenrechter die met het oog daarop bovendien de verstrekking van aanvullende gegevens wenselijk en nodig kan achten. Indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan het verlangen van de feitenrechter tot aanvulling van gegevens niet of niet genoegzaam is voldaan, staat het de feitenrechter vrij om daaraan gevolgtrekkingen te verbinden.

Uitgangspunt: uitstel zitting bij ziekte

Als uitgangspunt heeft evenwel te gelden dat het verzoek tot aanhouding bij ziekte wordt toegewezen (HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR::2007:BB7671, NJ 2008/24)  en dat het aanwezigheidsrecht een fundamenteel recht is “dat zich verzet tegen een lichtvaardige afwijzing van het aanhoudingsverzoek (HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4060, NJ 2011/34 en HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2004).

Relevante vragen

Ter onderbouwing van een verzoek tot uitstel kunnen de volgende relevante vragen worden beantwoord:

  • Om welke ziekte gaat het? Wat is de aard en de ernst van de ziekte?
  • Wat is de verwachte duur van de ziekte?
  • Is de aanwezigheid van de verdachte belangrijk of kan een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat ook de verdediging voeren?
  • Heeft de verdachte aangegeven zelf graag ter zitting aanwezig te willen zijn om zijn standpunt toe te lichten?
  • Is er door de verdediging eerder een aanhoudingsverzoek gedaan?
  • Is het verzoek tot uitstel van de zitting met stukken onderbouwd en kon het redelijkerwijs - binnen het bekende tijdsbestek - met stukken onderbouwd worden?
  • Komt de voortvarendheid van afdoening van de zaak door schorsing van het onderzoek op de terechtzitting niet in het gedrang?;
  • Zijn er nog andere bijzondere omstandigheid is die meebrengt dat het belang van een behoorlijke strafvordering onder de gegeven omstandigheden zwaarder moest wegen dan het fundamentele belang van de betrokkene om bij de behandeling van zijn ontnemingszaak tegenwoordig te zijn?

Motiveringsplicht rechter bij afwijzing verzoek uitstel

Indien voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting een tot aanhouding van de behandeling van de zaak strekkend verzoek als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv van de verdachte of diens op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman wordt gedaan, moet op grond van de ook in hoger beroep toepasselijke bepalingen van art. 329 en 331, eerste lid, Sv ter terechtzitting op dat verzoek worden beslist nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord. Het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen is op grond van art. 330 in verbinding met art. 415 Sv met nietigheid bedreigd. Het proces-verbaal van de terechtzitting zal dus op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op een dergelijk verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds de verdachte, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen.
Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopige oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd (vgl. HR 11 oktober 2005, LJN AT5663, NJ 2007/454).

 

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden