Immateriele schadevergoeding / smartengeld

Immateriële schadevergoeding wordt gevraagd voor geleden pijn, opgelopen letsel en/of psychische schade.

Wettelijk kader immateriele schadevergoeding

Artikel 6:106 BW regelt de vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Het kan gaan om:

  • lichamelijk letsel
    Ook bij coma (HR 20 september 2002, NJ 2004, 112)
    Ook bij blauw oog (HR 29 juni 2012, NJ 2012, 410)
  • schending van de eer of goede naam van een persoon 
    Bijv. HR 4 oktober 2013, NJ 2013, 479
  • wanneer de ander op andere wijze in persoon is aangetast
    Het moet hier gaan om geestelijk letsel
  • aantasting van de nagedachtenis van een overledene

Bovendien moet het oogmerk steeds hebben bestaan om zodanig nadeel toe te brengen (HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 216).

Toetsingskader jurisprudentie

Ook bij andere aantastingen in de persoon dan het toebrengen van lichamelijk letsel een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegekend. Uitgangspunt is dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, waarop overigens uitzonderingen kunnen worden gemaakt als het gaat om bijzonder ernstige normschendingen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, NJ 2012, 410). De opvatting van de steller van het middel dat gevoelens van angst, schrik en machteloosheid niet onder het bereik van art. 6:106 BW vallen en dat voor het bestaan van geestelijk letsel tenminste sprake moet zijn van een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische schade, is evenwel onjuist. In de conclusie voor HR 29 juni 2012  stelt AG Wuisman niet de eis van objectieve maatstaven:

“Om voor een vergoeding voor immateriële schade wegens aantasting in persoon in aanmerking te kunnen komen moet in ieder geval mede zijn gebleken dat immateriële schade is geleden waarvoor de wet een billijke vergoeding toelaat. Hiervoor zijn van belang zowel de aard van de geleden schade (pijn, smart, gederfde levensvreugd, gekrenkt (rechts)gevoel e.d. en de bron van een en ander) als ook de mate waarin die schade is/wordt geleden. Dit betekent dat de toewijsbaarheid van een vordering tot vergoeding van immateriële schade sterk afhangt van wat ten aanzien van de schade is aangevoerd.

(vlg o.a. HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:412).

Een vergoeding voor immateriële schade kan slechts worden toegekend in één van de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gevallen, te weten: indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn/haar persoon is aangetast. De vraag die in dit geval voorligt, is daarom of de benadeelde partij “op andere wijze” in haar persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Om het bestaan van geestelijk letsel aan te kunnen nemen is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.

VERWEER:
Er moest niet alleen worden gesteld dat de benadeelde partij een trauma heeft opgelopen ten gevolge van het bewezen verklaarde feit, maar dit moet ook met behulp van medische gegevens worden aangetoond. Wanneer (medische) gegevens daarover ontbreken kan de gestelde psychische schade in een strafrechtelijke procedure niet worden vastgesteld.
De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen op grond van de thans beschikbare gegevens evenmin als zodanig ernstig worden aangemerkt dat reeds daarom kan worden aangenomen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Voor toewijzing van de vordering van de benadeelde partij zou daarom nadere bewijslevering nodig zijn. Het zou in dit stadium van de zaak een onevenredige belasting  van het strafgeding opleveren om het onderzoek ter terechtzitting daartoe te heropenen.

Psychische schade

Wanneer er geen sprake is van fysiek letsel, kan slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
Volgens de wet is het verhalen (op daders) van negatieve gevoelens alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel.

> Voorbeelden geen psychische schade, geen immateriele schadevergoeding
> Voorbeelden geen psychische schade, wel immateriele schadevergoeding

Causaal verband psychische schade

Uit de jurisprudentie blijkt dat causaal verband tussen de psychische schade en het strafbare feit vrij snel door de rechter wordt aangenomen. Ook wanneer er een tijdsverloop is tussen het strafbare feit en het moment dat de behandeling wordt gestart, kan nog steeds causaal verband aanwezig zijn. Dit dient wel steeds goed te worden gemotiveerd, bijvoorbeeld  geoordeeld dat, ondanks het aangevoerde tijdsverloop tussen het bewezenverklaarde en de start van de behandeling door een psycholoog enkele maanden later, de klachten het gevolg zijn van de mishandeling. In het licht van de door de benadeelde partij aangevoerde omstandigheden dat het enige tijd duurde voor zij een verwijzing kreeg en zij vervolgens opliep tegen een wachtlijst, of de omstandigheid dat psychische schade zich, anders dan lichamelijk letsel, niet altijd onmiddellijk openbaart, en enige tijd kan verstrijken voordat deze schade zich als zodanig manifesteert.

Enkele bijzonderheden:

  • Shockschade
    Indien door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht
Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden