Medeplichtigheid

Van medeplichtigheid is sprake wanneer de verdachte het door een ander verrichte misdrijf bevordert of hierbij behulpzaam is geweest.

Medeplichtigheid in de wet

Medeplichtigheid is in de wet strafbaar gesteld in artikel 48 Sr.:

"Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:
1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;
2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf."

In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen voorafgaande (consecutieve) medeplichtigheid: het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf, en de gelijktijdige (simultane) medeplichtigheid: het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf, ook door het verschaffen van middelen.

Criteria bij medeplichtigheid

Voor medeplichtigheid is dubbel opzet vereist. Met 'dubbel' opzet wordt bedoeld:
(1) het opzet dat is gericht op de hulp die de medeplichtige verleent tot of bij de uitvoering van het gronddelict, en
(2) het opzet op, dat wil zeggen wetenschap van het gronddelict (een misdrijf) dat door hem wordt ondersteund.

Wat betreft deze tweede eis dient het opzet te zijn gericht op alle bestanddelen van het misdrijf waaraan de medeplichtigheid accessoir is, met dien verstande dat kennis van de precieze uitvoering van het misdrijf geen vereiste is. (Vgl. HR 13 november 2001, NJ 2002/245 en HR 4 maart 2008, NJ 2008/156) Een meer globale vorm van wetenschap volstaat in dit verband.

Verschil medeplichtigheid en medeplegen

Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). De discussie of er sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid zal zich hoofdzakelijk voordoen bij de zaken waar het gaat om de gelijktijdige medeplichtigheid, in de zin van het opzettelijk behulpzaam zijn.

Het belangrijkste verschil is dus dat bij medeplichtigheid de rol van de verdachte beperkt is tot enkel het (beperkt) behulpzaam zijn bij het delict of het verschaffen van inlichtingen of middelen.

> Meer informatie verschil medeplichtigheid en medeplegen

Verband medeplichtigheid en gronddelict

Enerzijds moet ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en anderzijds bedraagt het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Het gaat bij de “handelingen” van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans zal wel kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden (Hoge Raad, 27-06-2017, ECLI:NL:HR:2017:1158).

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden