Voorwaarden maatregel onttrekking aan het verkeer

Om de maatregel onttrekking aan het verkeer te kunnen opleggen, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

Voorwerp

Alleen ten aanzien van voorwerpen kan de maatregel onttrekking aan het verkeer worden opgelegd. Dit volgt uit de wettekst bij de artikelen 36c en 36d Sr.

Beslag

Voor onttrekking aan het verkeer is vereist dat het voorwerp eerst door de politie in beslag is genomen. In HR 2 maart 1999, NJ 1999, 329 is door de Hoge Raad uitdrukkelijk bepaald dat onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is als het voorwerp niet in beslag is genomen.

Ongecontroleerde bezit in strijd met wet of algemeen belang

De maatregel onttrekking aan het verkeer kan alleen worden opgelegd wanneer het gaat om voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit in strijd met de wet of het algemeen belang is. Het moet gaan om ongewenste, verboden of gevaarlijke voorwerpen:

In HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728 geeft de Hoge Raad hier de volgende uitleg aan:
"Uit de voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer dat de desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang (vgl. HR 8 maart 2005, LJN AR7626)."

Bijv.

  • cocaine
  • vervalst geld
  • zendinstallatie (ivm het gebruik)
  • motorstep (HR 7 november 2000, ECLI:NL:HR:AA8201)

Gevallen oplegging maatregel onttrekking aan het verkeer

De maatregel kan volgens artikel 36b Sr worden opgelegd in de volgende gevallen:

  • bij voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het strafbare feit zijn verkregen (art. 36c lid 1 onder 1 Sr.)
    > het gaat hier om de vruchten van het strafbare feit, bijv. de illegaal geteelde hennepplantjes
  • bij voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan (art. 36c lid 1 onder 2 Sr.)
    > hiermee wordt een categorie voorwerpen bedoeld die in feite het lijdend voorwerp zijn van het strafbare feit, bijv. de afgekeurde partij vlees die toch door de veroordeelde op de markt is gebracht of de auto die via een vals chassisnummer is voorzien van een andere identiteit, of de partij drugs die het land is ingebracht.
  • bij voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid (art. 36c lid 1 onder 3 Sr).
    > hiermee wordt bedoeld: voorwerpen die gebruikt zijn om het strafbare feit te plegen of voor te bereiden,  bijv. inbrekerswerktuig dat is gebruikt bij een inbraak of een wapen dat gebruikt is bij een overval
  • bij voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd (artikel 36c lid 1 onder 4 Sr.)
    > het kan hier bijv. gaan om apparatuur die erop is gericht om de communicatie van de politie te blokkeren;
  • bij voorwerpen die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd (artikel 36c lid 1 onder 5 Sr.)
    > het gaat hier om voorwerpen die bedoeld zijn om strafbare feiten mee te plegen, zoals apparatuur om paspoorten mee te vervalsen. Er bestaat hier overlapping met de onder 3 genoemde categorie.

In alle hiervoor genoemde gevallen gaat het om voorwerpen die bij de voorbereiding of de uitvoering van het delict daadwerkelijk moeten zijn gebruikt, in die zin dat er een een verband bestaat tussen het strafbare feit en het voorwerp. Daarnaast kennen we echter nog het in artikel 36d Sr. genoemde geval waarvoor dit verband niet hoeft vast te staan. Bij artikel 36d Sr. gaat het om:

  • voorwerpen die bij de dader of de verdachte zijn aangetroffen, bij gelegenheid van een onderzoek naar een respectievelijk door hem begaan feit of bij een feit waarvan hij verdacht wordt, maar dan alleen wanneer die voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel de belemmering van de opsporing daarvan.
    > artikel 36d Sr. eist geen directe relatie tussen de daarin genoemde voorwerpen en het begane feit, althans de verdenking
    > wel moet het gaan om een voorwerp dat in verband kan worden gebracht met soortgelijke feiten als het feit dat is begaan of waarvoor de verdenking bestaat
    > bijv. indien bij een huiszoeking bij een verdachte van een overval een ander wapen wordt aangetroffen dan het gebruikte wapen, dan is onttrekking aan het verkeer niet mogelijk ogv artikel 36c Sr maar wel ogv artikel 36d Sr.
    > In HR 6 mei 1997, NJ 1997, 655 heeft de Hoge Raad bepaald dat onder de term 'soortgelijk feit' moet worden verstaan feiten die, gelet op het belang dat de wetgever heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als de begane feiten waarvan de verdachte wordt verdacht.
    > Het soortgelijke feit hoeft zich niet te hebben voorgedaan of voor te doen ('kunnen')
    > In HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1830 heeft de Hoge Raad bepaald dat een wapen niet kan worden beschouwd als een soortgelijk feit bij een veroordeling wegens deelname aan een criminele organisatie in harddrugs
    > Het moet wel vaststaan dat het voorwerp aan de verdachte of de dader toebehoort

N.B. Het moet wel gaan om een soortgelijk feit:
"Redelijke uitleg van de in art. 36d Sr gebezigde woorden 'soortgelijke feiten' brengt mee dat daaronder dienen te worden verstaan feiten, die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht (HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655).
Zo is de onttrekking aan het verkeer van een mes bij een verdenking winkeldiefstal zonder geweld niet mogelijk (ECLI:NL:HR:2016:1410 en ECLI:NL:HR:2012:BX5268).

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden