Wijziging tenlastelegging 314a Sv.

Indien er sprake was van een voorlopige tenlastelegging ten tijde van de fase van de voorlopige hechtenis, kan de officier van justitie op grond van artikel 314a Sv wijziging van deze tenlastelegging vorderen.

Artikel 314a Sv. 

"1. Indien in de telastlegging voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 257a, vierde lid, of artikel 261, derde lid, wordt die opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het eerste en tweede lid van artikel 261 gestelde eisen.2. De artikelen 313, met uitzondering van de laatste volzin, en 314 vinden overeenkomstige toepassing."

Artikel 257a Sv heeft betrekking op de strafbeschikking en doet hier niet ter zake bij de voorlopige tenlastelegging. Wel is relevant artikel 261 lid 3 Sv, dat aldus luidt:
"3. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van artikel 66, derde lid, kan voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel is gegeven."

Voor de inhoud van de bevelen tot voorlopige hechtenis is artikel 78 Sv van belang. Het bevel omschrijft, aldus het tweede lid van artikel 78 Sv, onder meer zo nauwkeurig mogelijk de strafbare feiten ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen en de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen verdachte zijn gegrond. Ingevolge het eerste lid van artikel 67b Sv kan de officier van justitie tijdens de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis bij de vordering tot gevangenhouding of de verlenging daarvan, kort gezegd, vorderen dat de voorlopige hechtenis ook nog voor een ander feit wordt bevolen. Als de vordering toegewezen wordt dat andere feit geacht te zijn opgenomen in de omschrijving als bedoeld in het tweede lid van artikel 78 Sv.

Voorlopige tenlastelegging

Wijziging op grond van artikel 314a Sv. kan alleen indien eerder een voorlopige tenlastelegging (ex. artikel 261 lid 3 Sv.) is uitgereikt. Bij zo'n voorlopige tenlastelegging kan de officier volstaan met een dagvaarding als bedoeld in het derde lid van artikel 261 Sv en kan voor de feitsomschrijving gebruik worden gemaakt van de omschrijving in het bevel gevangenhouding. .

 

Kritische opstelling advocaat

Het is belangrijk dat de advocaat zich steeds kritisch opstelt. De advocaat dient zo nodig de vraag aan de orde te stellen of een stuk, dat wordt gepresenteerd als een voorlopige dagvaarding in de zin van artikel 314a Sv en dat niet voldoet aan de eis van overeenstemming met de feitsomschrijving in het bevel gevangenhouding, toch als zo een voorlopige dagvaarding kan gelden en niet moet worden aangemerkt als een definitieve dagvaarding die slechts op de voet van artikel 313 Sv kan worden gewijzigd. Als er van een definitieve dagvaarding sprake zou zijn zou de rechtbank de vordering van de officier, die is gepresenteerd als een vordering nadere wijziging als bedoeld in het eerste lid van artikel 314a Sv, moeten afwijzen omdat niet het soepeler regime van artikel 314a Sv maar het strengere stelsel van artikel 313 Sv van toepassing zou zijn.

In HR 10 juni 1975, NJ 1975, 306 m.nt. ThWvV heeft de Hoge Raad zich in wel zeer stellige zin uitgelaten. De Hoge Raad overwoog dat de in art. 314a Sv. neergelegde mogelijkheid om de opgave van het feit alsnog in overeenstemming te brengen met de in het eerste en tweede lid van art. 261 gestelde eisen zonder overeenkomstige toepassing van de laatste volzin van art. 313 slechts openstaat indien in de telastelegging voor de opgave van het feit is volstaan met de omschrijving die in het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven; 
dat in het onderhavige geval de OvJ voor de opgave van het feit in de inleidende dagvaarding niet heeft volstaan met de omschrijving die in het bevel tot gevangenhouding van req. was gegeven, zodat een wijziging van de telastelegging slechts volgens de in de artt. 313 en 314 neergelegde regeling had kunnen plaats vinden;
dat uit niets blijkt dat de OvJ ter terechtzitting in eerste aanleg de toelating van een of meer wijzigingen in de telastelegging heeft gevorderd;
dat derhalve de telastelegging, zoals in de dagvaarding van 8 april 1974 opgenomen, ongewijzigd is gebleven, zodat het Hof uitsluitend op de grondslag van die telastelegging had dienen te beraadslagen en beslissen".

In dit arrest heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het stelsel van artikel 261 lid 3 juncto artikel 314a Sv alleen maar geldt voor summiere dagvaardingen die teruggrijpen naar de feitsomschrijving in het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding. Als de officier daarnaar niet terug grijpt is er geen sprake meer van een summiere tenlastelegging. Dan is er sprake niet van een summiere, maar van een definitieve tenlastelegging die alleen nog maar op de voet van artikel 313 Sv kan worden gewijzigd.

Conclusie:

  • De Hoge Raad oriënteert zich uitsluitend op de feitsomschrijving van het bevel gevangenhouding of gevangenneming voor de inhoud van de summiere dagvaarding. Deze bevelen kunnen weer teruggrijpen op bijvoorbeeld een bevel bewaring of een vordering tot het verlenen van het bevel bewaring of tot een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek.(HR 15 januari 1991, NJ 1991, 668) 

Wanneer wijziging tenlastelegging niet toegestaan?

De wijziging van de voorlopige tenlastelegging kan dus slechts dán niet worden toegelaten, indien die wijziging ertoe zou leiden dat elk verband tussen de gedragingen die in het bevel gevangenhouding en die welke in de gewijzigde tenlastelegging zijn omschreven, ontbreekt.

Van belang is het volgende:

a) dat de regeling van art. 261, derde lid, Sv in verbinding met art. 314a Sv een uitzondering vormt op de regel dat de inleidende dagvaarding de opgave bevat van het feit dat wordt tenlastegelegd en dat, ingevolge art. 313, tweede lid, laatste volzin, Sv een wijziging van de tenlastelegging gedurende de procedure niet toelaatbaar is indien als gevolg daarvan de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr zou inhouden,
b) dat die uitzondering daarin bestaat dat in de in art. 261, derde lid, Sv bedoelde gevallen voor de opgave van het feit in de inleidende dagvaarding kan worden volstaan met de omschrijving die in het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven en dat bij de nadere omschrijving van dat feit als bedoeld in art. 314a Sv niet de beperking geldt dat sprake moet zijn van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr als het in de inleidende dagvaarding opgenomen feit, doch dat
c) bij toepassing van die uitzondering een wijziging ingevolge art. 314a Sv van de voorlopige omschrijving welke bestaat in een uitbreiding met andere feiten niet toelaatbaar is indien elk verband ontbreekt tussen die feiten en die welke overeenkomstig het bevel gevangenhouding of gevangenneming zijn opgenomen in de inleidende dagvaarding (vgl. HR 24 maart 1998, NJ 1998, 535 en HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 52).

Enkele belangrijke punten mbt wijzigingen van de tenlastelegging:

  • de enkele omstandigheid dat de nadere omschrijving feiten omvat die buiten de voorlopige tenlastegelegde periode vallen, maakt niet dat elk verband ontbreekt (LJN: BM6904, Hoge Raad, 14 september 2010)
Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden