Hoger beroep door officier van justitie

Ook de officier van justitie kan hoger beroep instellen. Er gelden wel bijzondere eisen voor het hoger beroep dat door een officier van justitie moet zijn ingesteld.

Termijn hoger beroep

Net als voor de verdachte geldt, moet de officier van justitie het hoger beroep binnen 14 dagen na de uitspraak instellen ter griffie van de rechtbank. Door de griffier van de rechtbank wordt ook een akte instellen rechtsmiddel opgemaakt. Hiermee wordt het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep veilig gesteld.

Appelschriftuur

Binnen 14 dagen na het indienen van het hoger beroep moet de officier van justitie een appelschriftuur indienen. Te late indiening van het appelschriftuur leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep. Voor de verdachte is de appelschriftuur niet verplicht, maar voor de officier van justitie is dat dus wel het geval!

Toelichting
Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, moet indienen. Indien van de zijde van het openbaar ministerie een dergelijke schriftuur niet is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf, niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Die bepaling is volgens de Hoge Raad mede van toepassing op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend (Hoge Raad 7 juli 2009, LJN BI 4078).

Eisen appelschriftuur

Het appelschriftuur van de officier van justitie moet worden ingediend ter griffie van de rechtbank waar het hoger beroep is ingesteld. Het appelschriftuur moet een stempel en dagtekening van de dag van indiening bevatten van de griffier. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, is er geen sprake van een appelschriftuur. 

Jurisprudentie

In de jurisprudentie zien we nogal wat zaken waarin dit niet goed ging en dit leidde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep:

1 dag te laat; termijnoverschrijding leidt tot niet-ontvankelijkheid OM
Gerechtshof Amsterdam, 24 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1900
Door de advocaat-generaal is geen reden gegeven ter rechtvaardiging van de te late indiening van de appelschriftuur. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het vonnis (zijnde een uitgewerkt promis-vonnis) kort na het wijzen daarvan aan partijen is verstrekt. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in combinatie met de beperkte omvang en de eenvoud van het strafdossier en de inhoud en strekking van de appelschriftuur – zijnde in feite een herhaling van het ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde schriftelijk requisitoir - is het hof van oordeel dat, ondanks het gegeven dat de termijnoverschrijding beperkt is geweest, het belang van het ingestelde beroep in het onderhavige geval niet prevaleert boven het belang van sanctionering van het verzuim. Voorts overweegt het hof dat naar zijn oordeel geen sprake is van een zaak van een dergelijk maatschappelijk belang dat het hoger beroep ondanks de niet verschoonbare termijnoverschrijding dient te worden behandeld.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de advocaat-generaal om aanhouding van de zaak, teneinde haar in de gelegenheid te stellen de reden van de termijnoverschrijding te achterhalen, af. Het hof is van oordeel dat dit verzoek tardief is, nu voor het achterhalen van deze reden sinds het (te laat) indienen van de appelschriftuur tot aan de terechtzitting in hoger beroep voldoende tijd en gelegenheid is geweest.

6 dagen te laat; termijnoverschrijding leidt tot niet-ontvankelijkheid OM
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4389
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven moet worden ingediend.
Door de officier van justitie is op 14 november 2014 hoger beroep is ingesteld. In de appelschriftuur zijn de gronden voor het appel niet vermeld dan wel nader toegelicht. De appelschriftuur van de officier van justitie, gedateerd op 3 december 2014, is op 4 december 2014 bij de strafgriffie van de rechtbank ingekomen. Het hof stelt vast dat de appelschriftuur te laat is ingediend.
Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is het aan de rechter overgelaten of hij na weging en waardering van de omstandigheden van het geval, al dan niet aan het door de officier van justitie niet indienen van de schriftuur de sanctie van niet-ontvankelijkheid zal verbinden. In beginsel kunnen aan het niet tijdig indienen van een appelschriftuur dezelfde gevolgen worden verbonden als aan het in het geheel niet indienen ervan.
In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu het belang van het ingestelde beroep in casu, welk beroep zich blijkens de ingediende appelschriftuur enkel richt tegen de door eerste rechter opgelegde straf, niet prevaleert boven het belang van sanctionering van het verzuim.

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden