Schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij overtreding van de algemene of bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan de officier van justitie een vordering indienen bij de rechter-commissaris tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan niet zelfstandig worden ingediend, maar kan alleen worden ingediend als ook een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ingediend en de veroordeelde is aangehouden.

Wettelijk kader schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling

De schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling is geregeld in artikel 15h Sr.

Artikel 15h
1. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld zich zodanig heeft gedragen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen, kan zijn aanhouding worden bevolen door het openbaar ministerie. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, in bij de rechter.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de hervatting van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.
7. De termijn van de schorsing eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de duur van de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend.
8. Het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit ambtshalve doen, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.

Toetsing vordering schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling door rechter-commissaris

De rechter-commissaris dient binnen 3x24 uur na aanhouding te oordelen of de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden geschorst. Bepalend is hiervoor of de algemene of bijzondere voorwaarden zijn overtreden. De rechter-commissaris kan besluiten tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, hetgeen betekent dat de gevangenisstraf weer ten uitvoer moet worden gelegd en dat de veroordeelde dus weer terug naar de penitentiaire inrichting moet. Ook kan de rechter-commissaris bepalen dat de vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden afgewezen. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt dan hervat; de veroordeelde wordt dan weer in vrijheid gesteld.

Als de vordering tot schorsing van de v.i. wordt afgewezen, kan er reden zijn om de vordering tot herroeping te handhaven. De gronden voor herroeping kunnen aanwezig zijn ondanks dat schorsing van de v.i. door de rechter-commissaris niet proportioneel wordt geacht.
In geval van overtreding van de algemene voorwaarde is het mogelijk dat de veroordeelde is aangehouden op verdenking van het nieuwe strafbare feit. Het OM moet dan beoordelen of voor het vorderen van de voorlopige hechtenis of voor het vorderen van de schorsing van de v.i. moet worden gekozen. Daartoe zal een afweging moeten worden gemaakt op grond van het gedrag van de v.i.-gestelde, de haalbaarheid van de herroeping vordering en de bijzondere omstandigheden van het geval die vrijheidsbeneming van de v.i.-gestelde noodzakelijk kunnen maken.

Is het vermoedelijk gepleegde strafbare feit een feit waarvoor géén voorlopige hechtenis mogelijk is, dan ligt het indienen van een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in beginsel niet in de rede. Zijn er naar het oordeel van de officier van justitie echter voldoende ernstige bezwaren aanwezig én is vrijheidsbeneming van de v.i.-gestelde om bijzondere redenen noodzakelijk, dan kan wel tot het indienen van een schorsingsvordering worden besloten. Als voor het (vermoedelijk) gepleegde strafbaar feit wel voorlopige hechtenis mogelijk is, vordert de officier van justitie de voorlopige hechtenis en laat het vorderen van schorsing van de v.i. achterwege. Wordt een vordering tot inbewaringstelling afgewezen, dan kunnen er situaties zijn waarin het vorderen van schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling nog wel voor de hand ligt. Bijvoorbeeld indien de vordering is afgewezen wegens het ontbreken van gronden, terwijl er wel ernstige bezwaren aanwezig zijn. Dan zijn er immers wel ernstige redenen voor het vermoeden dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen. Als dan aanhouding van de v.i.-gestelde noodzakelijk is, kan voor het indienen van een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling  worden gekozen. Is een vordering tot inbewaringstelling afgewezen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren, dan ligt dit anders. De rechter-commissaris heeft nu immers in feite geoordeeld dat er onvoldoende ‘ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde zich zodanig heeft gedragen dat diens voorwaardelijke invrijheidstelling  zal worden herroepen’.

Verzoek opheffing schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling

Als de schorsing van de v.i. wordt bevolen kan zowel door de verdediging als door de officier van justitie een verzoek om opheffing van die schorsing worden gedaan. De rechtbank kan de schorsing ook ambtshalve opheffen. Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde komen als de behandeling van de herroepingsvordering wordt aangehouden, maar de rechtbank geen termen voor schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling meer aanwezig acht.
Tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek tot opheffing schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling, of tegen de ambtshalve genomen beslissing tot opheffing van de schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling is geen hoger beroep mogelijk.

 

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden